Onder wie valt het schaduwleger?

De regering hikt aan tegen het advies haar verantwoordelijkheid te nemen voor de private militaire bedrijven, die zij bij vredesoperaties inschakelt.

De Nederlandse militair in Uruzgan is uitgeroepen tot Nieuwspersoon van het Jaar 2007. Namens zijn mensen kwam minister Van Middelkoop (Defensie) er met gepaste trots persoonlijk voor naar het Feest voor de journalistiek in Amsterdam.

Achter de soldaten staat er echter nog een heel leger van private dienstverleners dat in de schaduw blijft. Daar is de minister een stuk minder duidelijker over. Dat is riskant, waarschuwde de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) de regering eind vorig jaar.

Illustratief is het Blackwater-schandaal: een schietpartij door particuliere contractanten in Irak met 17 slachtoffers die in een juridisch zwart gat dreigen te verdwijnen. Net als andere landen is de Nederlandse krijgsmacht steeds meer afhankelijk van private militaire bedrijven. Ons land moet zijn verantwoordelijkheid voor hun optreden dan ook goed regelen, was de boodschap van de AIV.

Deze waarschuwing wordt kracht bijgezet door een recent rapport van de Werkgroep over de inzet van huurlingen van de Verenigde Naties. De VN-experts noemen de private military contractors (PMC’s), zoals het jargon luidt, het moderne equivalent van de ouderwetse dogs of war, zoals Simon Mann, die in juni terechtstond in Equatoriaal-Guinea wegens een couppoging in 2004. Contractors zijn volgens het VN-rapport „een frequente bron van mensenrechtenschendingen”, maar nationale overheden hebben zich door dit fenomeen laten verrassen. Met als resultaat dat PMC’s vrijwel straffeloos kunnen opereren.

De reactie van minister Van Middelkoop op het AIV-advies was uitgesproken zuinig. Hij erkende dat de krijgsmacht niet afhankelijk moet worden van private inhuur. Maar hij bestreed de conclusie van de AIV dat dit het geval is. Toch is de operatie in Uruzgan er op gebaseerd dat de logistiek voor een groot deel wordt uitbesteed aan private bedrijven, inclusief het transport van voedsel en brandstof. De contractors zijn zelf verantwoordelijk voor de gewapende bescherming van het vervoer. Dit maakt het de Nederlandse regering mogelijk de formele opstelling te kiezen dat zij niet zelf een geweldspotentieel inhuurt, lees: niet verantwoordelijk is. Maar dit valt minder vol te houden voor de inzet van circa 250 Afghaanse contractanten die de buitenring van de Nederlandse bases in Uruzgan bewaken.

Een probleem apart is subcontracting. Het is goed mogelijk dat Nederland voor een crisisbeheersingoperatie buitenlandse PM’s inhuurt die op hun beurt weer personeel inhuren uit landen waarvan men maar moet afwachten of ze geïnteresseerd (of in staat) zijn hun mensen aan te pakken voor eventuele wandaden die elders worden begaan. Dit werkt wat de AIV betitelt als „ontwijkgedrag” in de hand. Contractors opereren tussen drie rechtssystemen in: van het gastland, het zendland en het land van herkomst. En dan vallen de contractanten vaak ook nog onder de algemene juridische immuniteit die de deelnemers aan crisisbeheersingsoperaties voor hun militairen bij het gastland bedingen. Toch houdt Van Middelkoop vol dat er ,,geen sprake is van een accountability gap”. Hij weigert de onderaanneming uit te bannen.

De minister lijkt inmiddels wel bereid zich aan te sluiten bij een initiatief van Zwitserland en het Rode Kruis om het gebruik van civiele dienstverleners internationaal te reguleren. Beslissend blijft, zoals de VN-werkgroep opmerkt, of nationale staten ook zelf hun verantwoordelijkheid nemen. Hier laat Van Middelkoop het afweten. Hij wijst de zogeheten staatsaansprakelijkheid voor de inhuurkrachten resoluut af. Zijn politieke verantwoordelijkheid voor de inzet staat los van juridische aansprakelijkheid. Dit onderscheid is op zijn plaats, blijkt uit de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van vorig jaar over de klacht van Bosnië tegen Servië over genocide. De grens is, zoals de AIV opmerkt, echter vloeiend. Staten kunnen niet blijven afzien van elementaire voorzorgsmaatregelen. Van Middelkoop stelt daarentegen categorisch dat er onvoldoende verband bestaat tussen het handelen van PMC’s en de staat die hen inhuurt. Er is immers geen „hiërarchische relatie”.

Zo’n argument maakt de inzet van militaire contractanten pas goed griezelig. De motivatie van internationale PMC’s is „primair commercieel”, brengt de VN-werkgroep in herinnering: „Ze dienen geen humanitaire doelen en zijn ook geen peacekeepers.” Alle reden om te insisteren op de duidelijke gezagsverhoudingen die de minister ontkent, want contractors kunnen een militaire operatie (zeker een opbouwmissie) grondig bederven. Hun juridisch niemandsland vormt een mijnenveld, dat niet verdwijnt door het te ontkennen.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.

Reageren? E-mail kuitenbrouwer@nrc.nl of via nrc.nl/kuitenbrouwer

    • Frank Kuitenbrouwer