‘Nederland gaat te ver met papierwerk’

Op zijn 25ste stopte hij met spelen en werd hij coach. Nu staat Tjitte Weistra met de badmintonploeg van Nieuw Zeeland op de Spelen. Een beloning voor vier jaar hard werken.

Foto Bas Czerwinski 05-08-2008, Beijing China. Badmintoncoach Tjite Weistra van Nieuw Zeeland. Foto Bas Czerwinski

Net als talloze andere sportmensen droomde Tjitte Weistra uit Beetgumermolen altijd al van de Olympische Spelen. Als badmintonner haalde hij het nooit, hoewel de Fries in 2001 een respectabele 21ste plaats op de wereldranglijst innam. Toen hij zijn carrière kort daarop beëindigde, kon hij ook niet weten dat hij jaren later in het olympisch dorp van Peking door zijn Nieuw-Zeelandse ploeggenoten zou worden onthaald met de haka, de traditionele krijgsdans van de Maori’s.

Voor het eerst sinds Barcelona (1992) – badminton had toen net de olympische status – ontbreken Nederlandse badmintonners op de Olympische Spelen. Maar mede dankzij de bondscoach van Nieuw Zeeland gaat het evenement niet helemaal aan Nederland voorbij.

„Als speler was ik niet goed genoeg om de Spelen te halen”, zegt Weistra (32) in het olympisch dorp. „Ik werkte keihard, maar ik had niet het talent van Dicky Palyama of Eric Pang. „Ik had niet het gevoel dat ik veel beter kon worden, dus moest ik een keuze maken.”

Als 25-jarige werd hij trainer en nam zich één ding voor: in die functie zou hij de Spelen wél halen. De terugweg naar Beetgumermolen was daarmee afgesloten.

Mede door de liefde kwam hij terecht in Lima, waar hij jeugdbondscoach kon worden van Peru, het vaderland van zijn vriendin Doriana Rivera, met wie hij inmiddels getrouwd is. Drie jaar lang kwam hij ook als speler uit voor Peru, waar hij moeiteloos ’s lands beste badmintonner was.

Vooral de omgeving en de sportfaciliteiten trokken hem als coach op de Club de Regatas in Lima, de duurste recreatieclub van het land. „Je moest 30.000 dollar betalen om lid te worden.” Hij werd zelfs bondscoach, maar Peru was niet de eindbestemming voor Weistra en zijn vrouw, die na haar studie medicijnen liever elders ging werken.

Na een mislukte sollicitatie naar de baan van bondscoach van de Nieuw-Zeelandse badmintonners werd Weistra in 2004 gevraagd als trainer van district Waikato op het Noordereiland. In de hoop daaruit op te klimmen stemde hij in. „Maar ik schrok wel. Het niveau was heel erg laag, derde divisie. Ze trainden één keer per week een uur. Ik ben keihard aan de slag gegaan. Nu is er een nationaal trainingscentrum, ze trainen het hele jaar door zes keer per week en ze spelen op het hoogste niveau.”

Weistra’s aanpak viel op bij de nationale bond, die hem in 2006 aanstelde als interim-bondscoach voor de Gemenebestspelen. Eind vorig jaar werden zijn ontelbare werkuren voor de Kiwi’s beloond met de volledige baan.

Maar Weistra is niet onverdeeld positief over de sportcultuur in Nieuw Zeeland. „Dat is mij heel erg tegengevallen. Rugby, cricket en netball zijn de belangrijkste sporten, maar niet olympisch. Er zijn maar een paar landjes die in die sporten tegen elkaar opkunnen, maar daar wordt wel al het geld ingepompt. Ik snap het wel, het is de trots van Nieuw Zeeland. Maar in die sporten gaat al heel veel geld om. In internationaal uitdagende sporten als badminton is alleen wat geld voor een paar sporters die het goed doen. Zo ontwikkelt een sport zich nooit.”

Dat Peking een station te ver was voor Nederlandse badmintonners als Yao Jie, Judith Meulendijks, Eric Pang en Dicky Palyama is volgens Weistra niet te wijten aan het Nederlandse niveau. „De internationale badmintontop is de laatste vijf jaar veel breder geworden. Je hebt veel meer landen dan alleen Indonesië, China en Korea. En Nederland stelt als topsportland hoge eisen aan de sporters, dus de Spelen halen is niet eenvoudig.”

Yao Jie kan erover meepraten. De Nederlandse mag niet naar het toernooi in haar geboorteland, hoewel ze na veel blessureleed onlangs wel de nummer één van de wereld versloeg – maar te laat. Sportkoepel NOC*NSF bleek niet te vermurwen toen de badmintonbond vorige maand probeerde haar alsnog te sturen.

Volgens Weistra snijdt Nederland zichzelf in de vingers door de voormalige nummer vier van de wereld thuis te laten. „Ik denk dat Nederland een beetje te ver gaat met het papierwerk. Is Yao Jie een medaillekandidaat? Ja. Maar ik begrijp ook dat spelers zich moeten bewijzen op toernooien die zijn aangewezen. De Spelen zijn ook een toernooi waar je moet kunnen pieken.”

Weistra heeft geen plannen terug te keren naar Nederland, maar hij vergeet zijn verleden niet. Kortgeleden stuurde hij nog een e-mail aan zijn eerste trainer in Leeuwarden, Gerard Wolters. „Ik had daar behoefte aan. Ik heb als speler nooit veel aan hem gedacht. Pas als trainer besef ik hoeveel ik van hem heb geleerd. Ik geef mijn spelers mee dat ze contact houden met hun eerste trainers. Vaak wordt vergeten dat die altijd maar hun spelers overdragen aan het volgende niveau.”

    • Rob Schoof