‘Kunstkrimi’ rond schilderij van Jörg Immendorff

Hun schilderij is een echte Jörg Immendorff, claimen de eigenaren. Een vervalsing, stelt zijn galeriehouder. Was Immendorff een bedrieger?

Was de vorig jaar overleden Duitse schilder Jörg Immendorff (1945-2007) een bedrieger? Verkocht hij kopieën van zijn eigen schilderijen om zo aan geld voor zijn seks- en drugsfeestjes te komen? Of werd hij zelf bedrogen door een van zijn assistenten? Op die vragen zal de rechtbank in Düsseldorf antwoord moeten vinden, in een zaak die vorige week van start ging en door de Duitse media al tot ‘Kunstkrimi’ gedoopt is.

De rechtszaak draait om een schilderij met de titel Ready-made de L’histoire dans Café de Flore, dat op een veiling in Wenen te koop zou worden aangeboden. Immendorfs galeriehouder Michael Werner herkende het als een vervalsing van een doek uit 1987. Dat schilderij heeft een geschatte waarde van 150.000 euro en bevindt zich in Nieuw-Zeeland.

Daarop eiste Immendorffs weduwe, de 28-jarige Bulgaarse schilder Oda Jaune, het te veilen werk terug van de eigenaren, met als doel het te vernietigen. Ready-made de L’histoire dans Café de Flore werd in beslag genomen en blijft in bewaring tot de rechtbank uitspraak heeft gedaan over de echtheid.

De eigenaren van het omstreden werk, twee broers uit Düsseldorf, zeggen dat ze het schilderij in 1999 in het atelier van de schilder hebben gekocht voor 30.000 mark. Als bewijs van echtheid konden zij een door Immendorff handgeschreven certificaat overleggen met daarop de tekst „Die Echtheit meines Werkes bestätige ich”.

Het is bekend dat Jörg Immendorff veel van zijn schilderijen door anderen liet uitvoeren. De schilder leed aan de ongeneeslijke zenuwziekte ALS en kon aan het eind van zijn leven geen kwast meer vasthouden. Een team van assistenten voerde zijn ideeën uit, de grote meester zelf hoefde de schilderijen nog slechts als de zijne te erkennen.

Maar in de tijd dat de twee broers hun kunstwerk bij Immendorff kochten, eind jaren negentig, was de schilder in geldnood wegens zijn cocaïnegebruik en de exuberante feestjes die hij in zijn atelier organiseerde. Het zou kunnen dat hij de kopers met opzet heeft bedrogen, door zijn handtekening te zetten op een kopie die door derden geschilderd was. Volgens galeriehouder Werner deed hij dat in de jaren negentig wel vaker. Als dat zo is, dan hangt Immendorffs weduwe een schadevergoeding boven het hoofd.

Een ander scenario is dat een van Immendorffs assistenten het werk op eigen houtje heeft geschilderd en het echtheidsbewijs heeft vervalst of gestolen. Maar dat lijkt onwaarschijnlijk, nu een van Immendorffs medewerkers tijdens de rechtszaak heeft getuigd dat hij erbij was toen Immendorff het werk in 1999 aan de broers verkocht.

Intussen stelt de advocaat van de eigenaren grote vraagtekens bij de expertise van galeriehouder Werner, die blijft volhouden dat het om een vals werk gaat. Volgens de tegenpartij is Werner slechts een ‘voormalige barkeeper zonder kwalificaties in kunstzaken’. Als beheerder van Immendorffs nalatenschap zou Werner bovendien belang hebben bij het beperkt houden van het aanbod van diens schilderijen.

De rechtbank zal de komende weken moeten bewijzen of het om een bewuste vervalsing gaat of om een legale variant van het origineel. Het is namelijk niet verboden om kopieën van eigen werken te vervaardigen. Onder leiding van Siegfried Gohr, een kenner van het werk van Immendorff, wordt nu gewerkt aan een oeuvrecatalogus, die ook in de toekomst helderheid moet geven over de echtheid van Immendorffs werken.

    • Sandra Smallenburg