Het leven van de nummer één is vaak ook een hel

Nummer één zijn is heerlijk. En verslavend. Je wilt het blijven, maar je wilt er ook vanaf. Roger Federer maakt mee wat lotgenoten als Becker, Maradona en Gascoigne hebben ervaren.

Roger Federer is binnenkort niet langer de nummer één van de tenniswereld. De Spanjaard Rafael Nadal heeft hem dan afgelost als leider van de wereldranglijst. Het is nieuws, opwindend nieuws zelfs, omdat de Zwitser 237 weken onafgebroken aan de top heeft gestaan. De koning wordt van de troon gestoten.

Zo interpreteren buitenstaanders de positiewisseling aan de top. Maar wie realiseert zich dat het de onttroonde leider zelf weinig doet? Eerder is hij opgelucht verlost te zijn van de eenzame positie die hij al sinds februari 2004 inneemt. „I don’t care”, waren zo’n beetje de enige woorden die hij eraan wijdde, toen hij werd geconfronteerd met de machtsovername van de vijf jaar jongere Nadal.

De pas 27-jarige Federer kan weer ademen. Ach, wat is het fijn even in de schaduw te staan. In een interview met de Tagesanzeiger refereerde hij aan andere sporters die lang aan de top stonden. „Geen mens houdt het lang vol in de schijnwerpers. Je kunt er niet buiten, het is een verslaving. Je wilt graag maar je weet dat het niet goed voor je is. Voor publiek spelen is het mooiste wat er is. Soms niet meer. Dan wil je iets anders zijn dan een tennisser.”

Boris Becker weet er alles van. De Duitser was zeventien jaar toen hij in 1985 voor de eerste maal Wimbledon won. In de bundel Die Sports Interviews (1991) van de Duitser Arno Luik, waarin naast Becker onder anderen Katarina Witt, Franz Beckenbauer, Jürgen Klinsmann, Ben Johnson en Monica Seles vertellen hoe hun leven door de topsport ontspoord is geweest, vertelt de voormalige nummer één hoe wanhopig eenzaam hij was. Tot aan zelfmoordpogingen toe.

Hij had Wimbledon gewonnen, zijn droom was uitgekomen. „En plotseling word je depressief, opeens ben je de ongelukkigste mens ter wereld, hoewel je Wimbledon gewonnen hebt.” Twee jaar later en twee Wimbledontitels verder, stond hij na uitschakeling in de tweede ronde op Wimbledon ’s nachts voor zijn hotelraam. Hij was intussen rijk, was de superheld van Duitsland en een gewild object voor media en sponsors. „Eén stapje en ik was naar beneden gestort. Ik wilde ervan af. Maar ik heb het raam dichtgedaan en ben opnieuw met leven begonnen. Ik ben naar mijn geboortedorp gegaan en heb mijn schoolvrienden opgezocht met wie ik al jaren geen contact had gehad.”

Becker was pas negentien. Er zouden nog vele jaren als kampioen volgen, nog vier grandslamtitels zou hij winnen. Hij wilde blijven winnen, de beste zijn. Maar hij heeft vaak, zo vertelt hij, ’s nachts door New York, Parijs en München gedoold. Verdwaasd, op zoek naar zichzelf, naar afleiding, drugs, alcohol en rock-’n-roll. Soms in de hoop herkend te worden midden in een orgie. Als provocatie.

Boris wilde niet worden als Mats Wilander, de Zweed die op achttienjarige leeftijd Roland Garros won, vervolgens in zes jaar nog zes grandslamtitels won en ten onder ging aan cocaïne. Dat lukte Becker, maar niet zonder een dolle race door een achtbaan. „Nummer twee zijn is een verademing. Je staat aan de top, waar je van kinds af aan naar toe hebt gewerkt, 24 uur per dag voor hebt geleefd en getraind en plotseling ben je knettergek. Niemand die kan helpen. Je hebt het zelf gedaan. Je hebt je laten aanpraten dat het zo mooi is aan de top. Maar wat is mooi?”

Tiger Woods is al jaren lang nummer één in het golfen. Hij kan er nog tegen. Maar niet zonder af en toe pauze te nemen, zich te isoleren en te rade te gaan bij zijn psycholoog. Hoe om te gaan met al die camera’s en duizenden toeschouwers om je heen als je je weer moet concentreren? „Het lukt me vaak, maar over een paar jaar niet meer. Het sloopt je. Golfen kan leuk zijn, maar elke dag op je vingers worden gekeken maakt je gek.”

Zo is het meer fenomenen vergaan. Zoals bij de voetballers Diego Maradona en Paul Gascoigne. Verslaafd aan aandacht en wanneer er geen aandacht meer is op zoek naar andere roesmiddelen. In Being Gazza, My journey to hell and back doet Gascoigne, vijftien jaar geleden de beste voetballer van Engeland, verslag van zijn sessies met psychiater John McKeown. ‘Gazza’ heeft sinds zijn jeugd psychische stoornissen ontwikkeld. Waaronder angst- en persoonlijkheidsstoornissen en manische depressie. Dat alles versterkt door alcohol. In het boek zegt McKeown: „Door mijn gesprekken met Paul leerde ik wat het is nummer één te zijn. Je wilt uitverkoren zijn. Je wilt ervan af, want je wordt degene die je niet bent. Je gelooft in anderen. Het leven van nummer één is een hel, tenzij je God bent.”

    • Guus van Holland