Het is heel lastig om vrouwen aan de top te krijgen

Korpschef Ans Rietstra waarschuwde gisteren voor de negatieve effecten van een voorkeursbeleid voor vrouwen op topfuncties. Mannen worden jaloers. Maar hoe moet het dan wel?

In Nederland klinkt al jaren een roep om meer vrouwen en allochtonen in topfuncties. De overheid is van mening dat de werkplek een afspiegeling moet zijn van de (diverse) samenleving.

Maar vrouwen zitten niet aan de top in Nederland. Neem de politiewereld. Van de in totaal 70 leden van de korpsleiding in Nederland zijn er elf vrouw en één allochtoon. Van de 75 districtchefs zijn er zes vrouw en één allochtoon. Om die reden wil minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) de komende drie jaar de helft van alle vrijkomende banen in de korpsleiding reserveren voor vrouwen en allochtonen. Voor andere leidinggevenden, zoals districtschefs, geldt een ‘quotum’ van 30 procent. Niet iedereen is blij met die aanpak.

Ans Rietstra, de in februari aangestelde politiebaas van het korps Noord-Holland Noord, stelde gisteren in deze krant dat het voorkeursbeleid een aantal risico’s met zich mee brengt. Zij waarschuwt dat het beleid op groeiende weerstand stuit bij mannen binnen de politieorganisatie.

De reden dat vrouwen in Nederland niet in de top zitten, komt vooral omdat zij graag in deeltijd willen werken; drie dagen per week of minder. En met zo weinig uren is een topfunctie vaak niet haalbaar, zegt Saskia Keuzenkamp, hoofd van de onderzoeksgroep Emancipatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau en bijzonder hoogleraar emancipatie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. In Nederland werkt meer dan zestig procent van de vrouwen in deeltijd. Dat is nergens anders in Europa zo hoog (in Duitsland en Engeland is dat 39 procent).

Dat is historisch zo gegroeid, zegt Keuzenkamp. Tot in de jaren negentig was er amper iets geregeld in Nederland op het gebied van kinderopvang. Dus bleven de vrouwen voor de kinderen zorgen. Dat kon ook, zegt Keuzenkamp, omdat in Nederland een gezin vaak kan rondkomen van één of ‘anderhalf’ salaris. Er is in Nederland (daardoor) ook veel sociale druk voor vrouwen om niet meer dan drie dagen te gaan werken.

Toch besloot minister Donner (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, CDA) afgelopen voorjaar geen quotaregeling voor vrouwen door te voeren naar Noors voorbeeld. In Noorwegen moet de raad van commissarissen van ieder beursgenoteerd bedrijf sinds 1 januari voor veertig procent uit vrouwen bestaan. In Nederland voert de overheid geen dwang uit een quotum te halen.

Het percentage vrouwelijke burgemeesters blijft bijvoorbeeld al jaren steken op twintig procent. Hoewel de overheid zich sinds 2005 doelen stelt om het aandeel van de vrouwelijke burgemeesters te vergroten, is er nog niets veranderd. Volgens commissaris van de koningin Hanja Maij-Weggen komt dat ook door de afwachtende houding van vrouwen. „Vrouwen aarzelen te lang voor ze solliciteren. Ze hebben wel de kwaliteiten, maar zijn onnodig onzeker.”

Marilyn Haimé, directeur Inburgering en Integratie bij het ministerie van VROM en uitgeroepen tot Zwarte Vrouwelijke Manager van 2007, beaamt dat de achterstand van vrouwen en allochtonen in Nederland moet worden weggewerkt. Maar waarom met een voorkeursbeleid? Als vrouwen en allochtonen ‘een streepje voor hebben’ kan dat demotiverend werken voor andere werknemers. Zij pleit er dan ook voor te stoppen met het plompverloren benoemen van vrouwen of allochtonen in hogere functies, maar in plaats daarvan meerdere geschikte kandidaten te werven waaruit gekozen kan worden. Op die manier wordt het idee bekrachtigd dat een vrouwelijke of allochtone kandidaat op basis van eigen kracht is gekozen. „Anders zeggen ze: oh, die zit daar alleen vanwege dat kleurtje of omdat het een vrouw is.”

Trude Maas, onder meer voorzitter van de raad van commissarissen bij Philips, wuift het argument dat mannen zich door het voorkeursbeleid bedreigd kunnen voelen, weg. „Mannen hebben toch niet het alleenrecht op die plekken? Het is niet erg als vrouwen door het voorkeursbeleid op een hoge positie terechtkomen, als ze zich vervolgens maar waarmaken.” Dat doet bijvoorbeeld eurocommissaris Neelie Kroes, zegt Maas, die op haar plek gekomen is vanwege haar vrouw-zijn, maar daar nu heel succesvol is.

Minister Plasterk (OCW, PvdA) stelde in zijn laatste emancipatienota dat in 2010 twintig procent van de topposities in het bedrijfsleven moet worden bekleed door vrouwen. Dat lijkt zonder quotaregeling een onhaalbare doelstelling, gezien het huidige percentage (circa vijf procent). „Het lijkt me aardig als bedrijven zichzelf publiekelijk een doel stellen”, zegt Maas. „Ook een vorm van quota dus, maar dan wel zelf opgelegd.” Zij roemt de werkgroep ‘Talent naar de top’, die eind mei 48 Nederlandse bedrijven liet beloven dat zij meer vrouwen gaan benoemen in topfuncties.

Haimé: „Pas als bedrijven en de rijksoverheid zelf de noodzaak zien van meer diversiteit in de top en daarvan innerlijk overtuigd zijn, zullen zij meer vrouwen en allochtonen op topposities plaatsen. Eerder niet.”

Commentaar: pagina 7

Een profiel van Ans Rietstra op nrc.nl/binnenland

    • Barbara Rijlaarsdam