Gebouwen lezen

In sommige panden en hotels raak je ook na het zoveelste bezoek de weg kwijt. Daarvan wordt dan gezegd dat ze onleesbaar zijn. Het suggereert een relatie tussen literatuur en de wereld van de bouwkunst.

‘Drift’ van kunstenaar Elin Hansdottir. Hansdottir, Elin

Van sommige gebouwen wordt wel gezegd dat ze ‘onleesbaar’ zijn. Dan gaat het om architectuur waarin je ook na het zoveelste bezoek de weg kwijtraakt, gedesoriënteerd raakt en soms de uitgang niet eens meer kunt vinden.

Het hanteren van de term onleesbaarheid in de wereld van de bouwkunst suggereert dat er een relatie bestaat tussen het lezen van een tekst en het begrijpen van een ruimte. Valt het combineren van gangen, trappen en deuren tot een logisch verband inderdaad op één lijn te zien met het verbinden van woorden, zinsdelen en leestekens tot een verhaal of betoog?

Feit is dat men sommige literaire werken heel goed als huizen kan beleven en de afzonderlijke hoofdstukken als kamers, met de personages als bewoners. Het is zelfs bijna onmogelijk om een literair verhaal of een roman te lezen zonder dat de lezer zich van de plaats van handeling tegelijkertijd een ruimtelijke voorstelling maakt, al zullen twee lezers er nooit precies dezelfde beelden op nahouden.

Toch zijn er schrijvers bij wie die ruimtelijke voorstelling zo sterk is dat een bepaald type bouwwerk het oerbeeld van hun verbeeldingswereld is geworden, zoals het labyrint bij Jorge Luis Borges of het palazzo bij Gabriele D’Annunzio.

Maar nog iets spannender wordt het verband tussen bouwkunst en literatuur wanneer men zich niet slechts voorstelt dat het werk van een bepaalde schrijver een decor voortbrengt, waarin de lezer zich de handeling van de roman voorstelt, maar wanneer men de betreffende schrijver bij wijze van gedachtenexperiment in een architect verandert.

Wat voor iets zouden bijvoorbeeld Thomas Mann of Henrik Ibsen hebben gemaakt als zij, in plaats van schrijven, gebouwen hadden ontworpen?

Deze vraag drong zich op toen ik onlangs een klein gebouw bezocht dat mij de sensatie bezorgde dat het als het ware een gebouwd verhaal van Franz Kafka is.

Het gaat om een houten gebouwtje van drie verdiepingen dat zich in Karlsruhe bevindt, om precies te zijn in het aldaar gevestigde Zentrum für Kunst und Medientechnologie.

Het is een raamloos, rechthoekig bouwwerk, waarvan de wanden van buiten en van binnen geheel uit wit geschilderde planken bestaan. Er is slechts één toegang, die zowel in- als uitgang is.

Maar vergis je niet: je komt er heel anders uit dan je er naar binnen bent gegaan.

Je loopt naar binnen door een smalle gang met kale buislampjes aan het plafond, je slaat een afgeronde hoek om naar rechts en je blijkt je in een trappenhuis te bevinden. Terwijl je de eerste trap van dertien treden beklimt, hoor je ergens van boven een vreemde toon klinken.

Boven aan de trap gekomen is er weer een bocht, gevolgd door nog een trap van negen treden. De gang voelt alsof hij iets smaller wordt, de wanden lijken taps naar boven toe te lopen. Het geluid wordt sterker.

De tonen klinken alsof ze steeds lager worden. De derde trap, na weer een bocht, telt tien treden en je wilt nu niets liever dan weten wat er zich boven in dit trappenhuis bevindt. De tonen klinken nog luider, het geluid wordt een fysieke ervaring.

Het plafond is nu veel lager dan daarnet. Na de volgende bocht sta je abrupt stil. Je kijkt verbluft naar een totaal misvormde trap, die schuin naar rechtsboven afbuigt en waarvan de veertien treden volstrekt onbegaanbaar scheef en steeds smaller weglopen. De afbuigende bromtonen klinken nu ronduit vijandig.

Je probeert een paar passen, maar je kunt niet meer rechtoplopen en het deurtje dat zich hoog boven aan de gevaarlijk scheve trap vertoont, is onbereikbaar. Vertwijfeld loop je achteruit en zodra je weer rechtop kunt staan, heb je de neiging om hard naar beneden te rennen. Weg, weg uit dit demonische gebouw.

Maar onderweg herneem je je, want je bent in een museum en dit is helemaal geen existentiële nachtmerrie, maar een ruimtelijk kunstwerk door de IJslandse kunstenares Elin Hansdottír, geboren in 1980.

Het bijbehorende geluid is ontworpen door Ulfur Hansson op basis van een zogeheten Shepard-toonladder, een tonenreeks die je als het muzikale equivalent zou kunnen zien van de kapperspaal, zo’n ronddraaiende rood-witte kolom die zich almaar dieper omlaag lijkt te boren, terwijl hij toch op dezelfde plaats blijft.

Het witte, houten trappenhuis van Elin Hansdottír, een werk dat de titel Drift draagt, is een ruimtelijk verhaal waarin de verwachting lineair en onvermijdelijk wordt opgebouwd. Ik verheugde me al lopend op iets onbestemds, op een soort verrassing die zich onderweg naar boven in mysterieuze geluiden lijkt aan te kondigen.

Maar de ontknoping is zo verbijsterend en ook zo bestraffend voor de blijmoedige nieuwsgierigheid waarmee ik de trappen was gaan beklimmen, dat ik me daarboven tot in het diepst van mijn wezen geraakt voelde. Drift is het tegendeel van een onleesbaar gebouw. Al is het klein, het is een van de beste gebouwen die ik in lange tijd heb gelezen.

    • Maarten Asscher