West-Afrika valt ten prooi aan drugskartels

Drugssmokkel maakt van West-Afrika een wetteloos gebied. Leger en regering grijpen niet in, dus moet de internationale gemeenschap iets doen, zegt Antonio Maria Costa.

West-Afrika valt ten prooi aan drugskartels Illustratie Sebe Emmelot Emmelot, Sebe

West-Afrika heeft sinds kort een drugsprobleem. Het gebied is tegenwoordig een knooppunt voor de cocaïnesmokkel van Latijns-Amerika naar Europa. Landen waarvan we zelden horen, zoals Guinee-Bissau en het aangrenzende Guinee, lopen het gevaar te worden overgenomen door drugskartels die samenspannen met leger en regering.

Met uitzondering van de cannabis in Marokko had Afrika nooit problemen met drugs. Maar dat is de laatste vijf jaar veranderd. Jaarlijks wordt via West-Afrika zo’n 50 ton cocaïne uit de Andeslanden naar Europa verscheept – en dat is een voorzichtige schatting. De feitelijke hoeveelheden zouden nog wel minstens vijf keer zo hoog kunnen zijn. De onderschepte hoeveelheid loopt sterk op: van 266 kilo in 2003 via 3161 in 2006 tot 6458 in 2007. Deze scherpe stijging zal ongetwijfeld aanhouden. Alleen deze maand al werd op het vliegveld van Freetown in Sierra Leone in een vliegtuig met valse Rode Kruis-markering meer dan 600 kilo onderschept en werden op de internationale luchthaven van Bissau honderden dozen uit een straalvliegtuig geladen.

De profiteurs van deze illegale handel – veelal maar niet alleen Latino’s – vallen op in de straten van West-Afrikaanse steden. Ze rijden in dure auto’s, kopen de beste hotels op en bouwen haciënda’s en andere voorbeelden van weelderige ‘narcotectuur’.

Wetshandhavers staan machteloos tegen deze aanslag. De drugsvliegtuigen hoeven niet onder de radar te vliegen, want in de meeste gevallen is er geen radar (of elektriciteit). Soms krijgen smokkelaars hulp van soldaten, die luchthavens sluiten en vliegtuigen uitladen. Achtervolgende politieauto’s komen zonder benzine te staan of bijten in het stof tegen de terreinwagens van de smokkelaars. Er is geen lokale marine om de schepen uit Latijns-Amerika te onderscheppen of de boten te achtervolgen die de drugs met 2000 pk naar de kust van Europa brengen. Handelaars komen zelden voor de rechter; in sommige gevallen zijn er geen gevangenissen om ze op te sluiten. Zelfs als ze worden vervolgd, worden ze meestal weer vrijgelaten omdat er geen bewijsmateriaal wordt verzameld of de benodigde wetgeving ontbreekt.

De drugs zijn inmiddels een veiligheidsvraagstuk. Het drugsgeld ontregelt de zwakke economieën in het gebied. In sommige gevallen is de waarde van de verhandelde drugs hoger dan het nationale inkomen van een land. De invloed die dit oplevert, tast deze broze landen aan; de handelaars kopen gunsten en bescherming van kandidaten bij verkiezingen.

Snel ingrijpen door de internationale gemeenschap verhinderde vijf jaar geleden een crisis in Kaapverdië, maar de kartels hebben hun operaties gewoon naar Guinee-Bissau verplaatst. Nu wordt ook Guinee bedreigd; Guinees buurland Sierra Leone zou de volgende kunnen zijn. Zonder een regionaal antwoord zal het probleem zich van land naar land verplaatsen.

Het zal niet eenvoudig zijn om deze dreiging te bedwingen. Het grootste probleem is de armoede. Deze landen scoren het laagste op de Index van de menselijke ontwikkeling – hun bevolking behoort tot de ondersten van het ‘onderste miljard’. Werkloze en wanhopige jongeren zijn gemakkelijk als voetvolk voor misdadige groeperingen te rekruteren. De West-Afrikaanse landen moeten de controle van hun kust en luchtruim op zich nemen. Dit vergt materieel (boten, vliegtuigen en radar), deskundigheid (opsporingstechnieken en containerbeveiliging) en informatie inzake narcoticabestrijding. Sommige van deze faciliteiten kunnen nationaal worden ontwikkeld, maar er zal ook enige hulp uit het buitenland moeten komen.

Door samenwerking van douane, grensbewaking, politie en narcoticabrigades – in havens en op vliegvelden bijvoorbeeld – is Kaapverdië voor drugshandelaars een minder aantrekkelijk doorvoerpunt geworden. Dezelfde aanpak zou elders moeten worden gevolgd.

Omdat de drugshandel zich niets van grenzen aantrekt, is regionale samenwerking en vooral informatie-uitwisseling essentieel. Een sterkere juridische samenwerking tussen de West-Afrikaanse landen zou de mogelijkheid openen tot doeltreffender uitlevering, wederzijdse juridische hulp en inbeslagneming van criminele opbrengsten. Ook moet de samenwerking worden versterkt tussen de landen van herkomst en die van bestemming, respectievelijk in Zuid-Amerika en Europa.

In sommige gevallen wordt gewerkt aan mechanismen voor de uitwisseling van informatie. Maar de maatregelen en zelfs de wetgeving om de georganiseerde misdaad en de corruptie te bestrijden zullen zinloos zijn zonder de politieke wil en het vermogen om ze uit te voeren. Maar al te vaak verdwijnen onderschepte drugs in plaats van te worden vernietigd. Rechters, politie en getuigen worden geïntimideerd. Veiligheidsdiensten knijpen een oogje toe of helpen een handje bij de smokkel.

De hoogste autoriteiten moeten beseffen wat er op het spel staat. Hun verzuim om op te treden is een teken van onmacht of van medeplichtigheid. De politieke wil zou worden versterkt als regionale leiders zouden worden beloond voor hun integriteit en bestraft voor corruptie. Op het ogenblik voelen de eerlijken zich in de steek gelaten en gaan de boeven straffeloos hun gang. We moeten de kwetsbaarheid voor drugs en misdaad verminderen door een grotere ontwikkeling. En een grotere gerechtigheid zou tot geloof in de rechtsstaat leiden.

Het probleem van de drugshandel is in West-Afrika nog vrij klein, vergeleken bij West-Azië, het Caribisch gebied of Latijns-Amerika. Maar het groeit exponentieel en dreigt van het gebied een centrum van wetteloosheid te maken. Een dergelijke instabiliteit is het laatste wat Afrika kan gebruiken. De getroffen landen en de internationale gemeenschap moeten ingrijpen voordat de toestand onbeheersbaar wordt.

Antonio Maria Costa is verbonden aan het VN-Agentschap voor Drugs en Misdaad (UNOCD).

    • Antonio Maria Costa