Tijdig gesprek moet risico’s foetus beperken

Minister Klink wil dat stellen met een ‘kinderwens’ voorlichting krijgen over risico’s. Om de babysterfte te reduceren. Ze moeten het wel zelf betalen.

Vrouwen krijgen het eerste consult met een verloskundige pas als hun foetus al tien weken oud is. Wetenschappers geloven dat de eerste weken van de zwangerschap cruciaal zijn voor de ontwikkeling van een kind. Dan kan de vrucht al schade hebben opgelopen, bijvoorbeeld door de leefstijl van de moeder.

Elk stel dat aan kinderen denkt, zou dan ook een ‘kinderwensgesprek’ moeten voeren met een verloskundige of de huisarts. Dat is het voornemen van minister Klink (Volksgezondheid, CDA).

Aanvankelijk was er lof voor Klinks voornemen om de relatief hoge babysterfte in Nederland aan te pakken. Hij blies een slapende stuurgroep nieuw leven in om de verloskunde te moderniseren. Maar nu hij zijn plannen naar de Kamer heeft gestuurd, zijn veel betrokkenen teleurgesteld. Want Klink wil de kinderwensgesprekken vooralsnog niet opnemen in het basispakket (in 2009 is pas duidelijk wat de kosten daarvan zijn).

De schok was groot toen in 2003 bleek dat in Nederland anderhalf keer zo veel baby’s rond de geboorte sterven als in de best scorende Europese landen. De reputatie van de Nederlandse verloskunde wankelde. Van alle duizend kinderen sterven er nu tien rond de geboorte. Dat lijkt weinig. Een ander cijfer komt harder aan: 20 procent van alle zwangerschappen leidt niet tot een gezond kind en eindigt bijvoorbeeld in een miskraam, een vroeggeboorte of in het overlijden van de baby.

Deskundigen zeggen dat dat niet komt door de in Nederland unieke thuisbevalling. De oorzaak ligt eerder in een combinatie van factoren zoals de steeds hogere leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen (29,5 jaar tegen 26 jaar in de jaren tachtig) en het terughoudende gebruik van prenatale testen. Daar is met de invoering van de twintig weken echo in 2006 verandering in gebracht.

Verder zijn er veel immigranten uit arme landen naar Nederland gekomen. Bij hen is de babysterfte relatief hoog. Zij wonen meestal in achterstandswijken, leven ongezonder dan autochtonen en bezoeken pas laat een vroedvrouw.

De Gezondheidsraad adviseerde de minister vorig jaar met een vast programma voor ‘preconceptiezorg’ te komen; standaard gesprekken tussen hulpverleners en wensouders over de risico’s van een ongezonde leefstijl, slechte werkomstandigheden of genetische aandoeningen. Met zulke consulten zijn landen als de VS, België en Hongarije al enigszins bekend. De adviezen: foliumzuur en vitamine D slikken, geen schadelijke medicijnen gebruiken, niet met gevaarlijke stoffen werken, overgewicht verminderen, niet roken of drinken. Veel vrouwen blijken niet goed op de hoogte te zijn.

Tijdens kinderwensgesprekken worden ook onvermijdbare risico’s besproken, zoals de kans op genetische aandoeningen. Toekomstige ouders zijn dan beter voorbereid op een eventuele negatieve uitslag van een prenatale test. Dat voorkomt dat ze onder grote tijdsdruk moeten kiezen tussen abortus of het uitdragen van de zwangerschap.

Klink schrijft nu dat hij het advies van de gezondheidsraad niet overneemt. „Jammer”, zegt Pauline Verloove, emeritus hoogleraar en mede-auteur van het advies. „Als voorlichtingsgesprekken vanzelfsprekend worden, bereik je de mensen die risico’s lopen.”

„Zonde”, zegt ook Simone Buitendijk, bijzonder hoogleraar preventieve gezondheidszorg voor kinderen bij het Leids Universitair Medisch Centrum. „Het bespaart juist kosten.” Volgens haar zijn de kosten van zo’n standaardprogramma al terugverdiend wanneer er tien kinderen minder „ernstig vroeg” worden geboren. Deze prematuren komen vaak in de intensive care en hebben een verhoogd risico op complicaties en zelfs handicaps voor het leven.

Een landelijke proef met kinderwensgesprekken verliep in 2006 succesvol. Die werd georganiseerd door de KNOV, de beroepsvereniging van verloskundigen. Er deden 21 praktijken aan mee. Na de proef hebben 84 verloskundigenpraktijken de consulten voortgezet. Maar omdat verzekeraars de kosten van 90 euro niet vergoeden, komen er vooral hogeropgeleiden op af. Jaarlijks krijgen 180.000 paren een kind. Als die allemaal voor de bevruchting een consult aangeboden krijgen, zou dat de overheid naar schatting ongeveer 16 miljoen euro kosten.

De KNOV pleit daar voor. „Wij hoopten dat Klink daarover een positieve beslissing zou nemen”, aldus een woordvoerder. „Mensen met een lage sociaal-economische status worden moeilijk bereikt als het niet in het basispakket zit.”

Volgens Buitendijk is preconceptiezorg in Nederland goed te organiseren, omdat ruim 80 procent van vrouwen bewust zwanger wordt. Ook zou de opbrengst aanzienlijk zijn. „Het zal een paar honderd kinderen per jaar schelen die wel gezond geboren kunnen worden”, zegt zij. „Dan zal niet 80 procent van de zwangerschappen goed verlopen, maar naar verwachting 84 procent.”

Klink laat de verbetering van de zorgverlening liever over aan de deskundigen zelf. Verloove en Buitendijk: „Het is te makkelijk om te zeggen dat dit geen verantwoordelijkheid van de overheid is.”

    • Antoinette Reerink