Tegen oneerlijke handelspraktijken is nog steeds niks te doen

Het conflict waarop het WTO-overleg is stukgelopen, draait om een verschil van mening over vrijhandel.

Die tegenstelling zit in het handelssysteem verankerd.

De mislukking van de WTO-top is geen verrassing. De Verenigde Staten en Europa verankeren vooral hun eigen belangen in de WTO-akkoorden en schuiven belangen van ontwikkelingslanden opzij.

Het conflict draait om verschil van mening over vrijhandel. Ontwikkelingslanden stellen vast dat het afbouwen van hun importbarrières en landbouwondersteuning, onder druk van de Wereldbank en de WTO-akkoorden, niet de beloofde voordelen heeft gebracht. Bovendien verbieden de bestaande WTO-regels hun om de maatregelen te nemen waarmee geïndustrialiseerde landen zelf wél hun economie hebben opgebouwd. Aziatische landen zoals Japan en Korea konden hun industrie doen groeien achter tolmuren en met steun en sturing van de overheid. Westerse landen hebben lang geen internationale beperkingen gehad om hun dienstensector te ontwikkelen.

De oorzaken van de tegenstellingen moeten we ook zoeken bij dieperliggende problemen van het huidige handelsprobleem. Het vrijhandelsmodel van de WTO leidt tot een concurrentieslag tussen ongelijke landen die alleen hun eigen belang verdedigen en die voor hun economische groei afhankelijker zijn geworden van markttoegang in andere landen.

Bij de opbouw van het internationale handelssysteem na WO II had men de problemen van internationale concurrentie voorzien. Maar de overeengekomen internationale oplossingen (Havana Charter, 1948) zijn door verzet van de VS nooit volledig uitgevoerd. Daardoor zit het internationale handelssysteem met een aantal problemen opgezadeld.

Ten eerste creëert de WTO een vrije markt op wereldniveau zonder internationale mededingingsregels tegen internationale oligopolies of oneerlijke handelspraktijken. Dit leidt tot machtsconcentratie, bijvoorbeeld bij landbouwproducten (de wereldgraanhandel is voor meer dan 80 procent in handen van de Amerikaanse Cargill, ADM en Bunge). Daardoor hebben producenten, werknemers en kleine boeren onderaan de keten te weinig onderhandelingsmacht.

Ten tweede kunnen arbeidsvoorwaarden die in de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie zijn overeengekomen nauwelijks worden afgedwongen. Daardoor is het moeilijk om een neerwaartse spiraal van arbeidsnormen en lonen tegen te gaan.

Ten derde hadden internationale grondstoffenakkoorden vroeger tot doel inkomsten te garanderen voor ontwikkelingslanden die grotendeels afhankelijk waren van de export van enkele grondstoffen. Toen de geïndustrialiseerde landen de onvolmaakte grondstofakkoorden lieten vervangen door de internationale vrije marktmechanismen, hebben ontwikkelingslanden decennialang te kampen gehad met lage grondstoffenprijzen en te weinig middelen om op andere exportproductie over te gaan.

De scheefgegroeide internationale handelsarchitectuur wordt versterkt door een slechte besluitvormingsstructuur in de WTO zelf. Consensus wordt nog steeds afgedwongen door uitsluiting, zoals op de voorbije top. Bovendien oefenen de rijke landen, inclusief de EU, druk uit op ontwikkelingslanden op een manier die op nationaal niveau onaanvaardbaar zou zijn, bijvoorbeeld door te dreigen met het opschorten van hulp.

Binnen elk van de WTO-lidstaten en in de EU wordt nauwelijks democratisch beslist welk onderhandelingsstandpunt wordt ingenomen. Onderzoek van SOMO en anderen heeft aangetoond hoe de standpunten voornamelijk worden bepaald door grote bedrijven die de middelen hebben om actief te lobbyen. Omdat die bedrijfslobby ook sterk is in andere landen, zoals de VS, wordt het handelsbelang van landen vereenzelvigd met het belang van grote bedrijven waarbij sociale, maatschappelijke, milieu- en andere economische belangen worden verwaarloosd.

Wat moet er nu gebeuren? Verder onderhandelen binnen de WTO, of kiezen voor de reeds gestarte bilaterale handelsverdragen, zou een verkeerd antwoord zijn. De mislukte onderhandelingspoging en de zichtbaar veranderde machtsverhoudingen maken een andere aanpak mogelijk. De regels van de WTO die door een sanctiesysteem afdwingbaar zijn en nationaal én internationaal beleid onderwerpen aan vrijhandel alsmede aan de bedrijfsbelangen van rijke landen, moeten worden vervangen door flexibele regels voor duurzame productie, handel en consumptie. Een nieuwe internationale handelsarchitectuur moet regels bevatten over mensen- en arbeidsrechten, eerlijke voedsel- en grondstofprijzen, mededinging en milieu.

En in ieder land zal politieke moed nodig zijn om op een democratische manier bij te dragen aan een dergelijk, nieuw handelssysteem.

Myriam Vander Stichele is senior researcher bij Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO).

    • Myriam Vander Stichele