Stronthoorn

Een lezer uit Leusden schreef: „Als kleine jongens rookten, werd in de jaren veertig/vijftig van de vorige eeuw plagend gezegd door oudere mensen: stront rookt zijn pijpje, vader schijt tabak. Ik heb dat nooit begrepen, je durfde dat ook niet te vragen, want je stond voor gek als je dat niet wist. Ik weet tot op heden niet wat men daarmee bedoelde, ik ben nu 76 jaar.”

De reden waarom ouderen dit zeiden is mij duidelijk – het was een manier om jongens te kleineren – maar ook ík snap de beeldspraak niet helemaal. Vooral het stuk vader schijt tabak is mij niet duidelijk. Als er lezers zijn die dit nader kunnen verklaren, dan hoor ik het graag. Een kortere variant is: stront rookt ook een pijpje voor ‘die wil ook meepraten’.

De combinatie van fecaliën en rookgerei komt overigens vaker voor. Zo werd of wordt een pijp wel een stronthoorn genoemd. Uit eigen ervaring weet ik dat pijproken een sterk laxerend effect kan hebben; wellicht heeft die naam daarmee te maken. In de jaren zestig werd het zeer gebruikelijk om shit te roken, wat, als je erbij stilstaat, een smerige benaming is. En een zogenoemde zei-spreuk uit Vlaanderen luidt: waardat er rook is, is er vuur, zei Uilenspiegel, en hij aanstak zijn pijp aan een paardestront.

Eveneens uit Vlaanderen komt deze dialoog, in 1984 opgetekend door Henri Mullebrouck: „Jantje (zes jaar): Moeder, mag ik roken? Moeder: Een stront rookt wel, waarom zoudt gij niet mogen roken?”

Pijprokers werden trouwens wel vaker bespot. Tegen iemand met een pijp in z’n mond werd soms gezegd, zo herinnerden verschillende lezers zich: twee rotkoppen op één steel. In het Amsterdams zijn opgetekend, als spotnamen voor de pijp: kauwstokkie (veel pijprokers sabbelen op hun pijp) en ’n here afsuiger (in deze vorm aangeleverd door iemand die schreef: „Ik ben van 1934 en een ras-Amsterdamse”). Het kan zijn dat herenafzuiger ooit een onschuldige klank had; nu wekt het associaties die weinig met roken te maken hebben.

Als spotnaam voor een ‘korte pijp’ is gesignaleerd: baardbrandertje. Verder zijn voor ‘pijp’ in Vlaanderen opgetekend: batske, knagertje, knorreke, korreboutje en smulleke.

Vorige week kwam in deze rubriek de uitdrukking de pijp uitgaan voor ‘doodgaan’ ter sprake. Ik noemde hierbij de verklaring uit de Grote Van Dale: „De pijp is waarschijnlijk een konijnenhol waaruit het konijn is weggegaan om niet meer terug te keren.” Veel lezers namen de moeite om me op een andere verklaring te wijzen, die inderdaad veel aannemelijker is, namelijk dat pijp hier verband houdt met de eendenvangst. Kort samengevat: men lokte overvliegende eenden door middel van een nagebootste roep naar een eendenkooi. Vervolgens worden ze naar een pijp, aangesloten op de kooi, gelokt, waar de eendenkooiker ze ving en de nek omdraaide. De eenden gingen daar dus de pijp uit.

Overigens gebruikte men nog aan het begin van de 20ste eeuw nu zal mijn pijp uitgaan als uitroep van verwondering, vooral als men tegengesproken werd. En in Gelderland kun je nu nog horen: hij heeft de pijp uit voor „hij is (lichamelijk) uitgeput, hij kan niet meer”.

Zoals gezegd: de pijp is nogal aanwezig in onze taal.

(Wordt vervolgd)

Ewoud Sanders

Reacties en aanvullingen naar sanders@nrc.nl