Paarsroze joekels

Junkie XL is ooit van het platteland naar de stad gegaan, zo bleek bij Zomergasten gisteravond, en hij zei op een gegeven moment tussen neus en lippen door dat veel mensen die dat doen de stad als een heel zware opgave zien, een beetje eng, dat ze ervoor terugdeinzen.

Het is iets heel gewoons om te vinden, dat van buiten naar de stad gaan een stap het échte leven in is. In de stad is het moeilijker, wordt meer van je gevraagd. En in een aantal opzichten is dat zeker waar, er is meer concurrentie, meer ambitie, meer haast, meer agressie, meer te doen, meer mode, meer subgroepen waar je bij kunt horen of juist niet. Maar toch is vanuit de stad op het platteland gaan wonen ook een opgave. Minstens zo’n grote vind ik eigenlijk.

En dan bedoel ik niet: in plaats van een flatje in de stad een flatje in een provincieplaats betrekken, maar in plaats van echt in de stad, tussen de mensen, de winkels, het uitgaansaanbod enz. naar echt buiten. Hoe buitener hoe moeilijker. Voor de stadsbewoner.

Buiten dringt zich allereerst de vraag op of je het een beetje kunt vinden met wat daar buiten is: het weer (buiten hebben ze weer) (aldoor eigenlijk), de seizoenen (idem), de begroeiing om en soms over of door het huis, het huis zelf met zijn humeuren en zwakheden, de stilte, het gebrek aan mensen en winkels en vertier. Buiten moet je het eigenlijk nogal aardig met jezelf kunnen vinden.

In het weekend was ik te gast op een landgoed met tuinen en landerijen, het elegante oude huis ver van de weg, bomen en velden met verre doorzichten – schitterend. Maar hoe zou het zijn, om daar in de stilte te wonen, de dagen dat er geen mensen komen? Hoe was het als kind daar in die bossen op te groeien? De eigenaar had er geen enkel probleem mee, hij was enig kind en had het als klein jongetje uitgesproken vervelend gevonden als er zo nodig andere kinderen moesten komen spelen. Veel liever zwierf hij alleen door het bos, beheerde zijn eigen plekken, speelde zijn eigen spellen.

Met zo’n houding red je het wel, buiten. En hard werken in de tuin helpt natuurlijk ook. Vol overgave meer dan manshoge dahlia’s gaan kweken in allerlei donkerrode of dieppaarse tinten.

We weten allemaal hopelijk wel dat de dahlia alweer lang terug is in onze belangstelling? Dat het géén tuttige bloem meer is, die tijd is voorbij, dahlia’s zijn ge-wel-dig? En ze zijn ook geweldig, bevestig ik deze mode maar even, want na de tulp, die in alle kleuren en verschijningsvormen het voorjaar verfeestelijkt, heb je heel lang niets – nu ja, allerlei prima bloemen hoor, maar ze zijn wat ze zijn – en dan heb je, in deze tijd van de zomer, de dahlia, met zijn extravaganties: bloemen zo groot als ontbijtborden, of planten met zwartpaars blad en daaraan een kleine, felroze bloem met een geel hartje, of dunne, rode franjebloemen of paarsroze joekels met witte puntjes …

Dat bedoel ik. Als je buiten gaat wonen, moet je je verstaan met je dahlia’s en niet denken: waarom zit ik niet op een terras tussen overal mensen, waarom heb ik mijn Paul Smith pak niet aan. Nee. Verrukt denken: dat zo’n zwartrood mogelijk is, in een bloem. Wat geweldig.

En ik ben de enige die het ziet!

    • Marjoleine de Vos