Moeilijke dissident

Tijdens de Koude Oorlog waren de verwachtingen over de dissidenten in het Oostblok hooggespannen. Zij hadden, in de woorden van de gisteren overleden schrijver Aleksandr Solzjenitsyn, immers „in waarheid geleefd”. Maar nadat het ‘socialistische kamp’ in elkaar was gestort, leken velen ook een ander gezicht te hebben. Er waren uitzonderingen. Zoals de Tsjechische schrijver Vaclav Havel en de Poolse vakbondsleider Lech Walesa, die de eerste postsocialistische president van hun land werden. Vaker verdwenen dissidenten echter naar de achtergrond of werden querulant.

Of dat lot ook de Russische kernfysicus Andrej Sacharov zou zijn beschoren, zullen we nooit weten. Sacharov overleed in december 1989 op de dag dat hij, gekozen in het sovjetparlement, een eerste zege zou halen in zijn strijd om de communistische partij haar „leidende rol” te ontnemen.

De betekenis van de ‘slavofiel’ Solzjenitsyn, in de dissidente jaren zestig/zeventig dé antagonist van de ‘westerling’ Sacharov, is minder simpel te duiden. Sinds Solzjenitsyn in 1994 terugkeerde op Russische bodem, na twintig jaar ballingschap in Duitsland en Amerika, heeft hij nimmer een officiële functie bekleed. Maar op de achtergrond speelde de auteur van De Goelag Archipel wel degelijk een rol. Vooral zijn essays blijken geen parels voor de zwijnen te zijn geweest.

Zijn pleidooi in 1990 voor een door Rusland geleide Slavische unie, met Oekraïne, Wit-Rusland en eventueel Noord-Kazachstan, is geen staatkundige werkelijkheid geworden, maar wel een van de heimelijke pijlers onder de doctrine van het huidige bewind- Medvedev/Poetin over het „nabije buitenland”. Zijn kritiek uit 1998 dat Rusland zich „slaafs” had onderworpen aan het IMF en op de „heidense” radio Svoboda is gehonoreerd. Moskou gedraagt zich als intolerante grootmacht.

Zijn opvatting dat democratie in Rusland alleen kan gedijen als die apolitiek is en niet gebaseerd op zoiets rekenkundigs als verkiezingen, is ten dele gerealiseerd. Het model wordt „soevereine democratie” genoemd. Zijn opvatting dat de privatiseringsgolf een antipatriottisch concept was waarmee de democratische hervormers in de jaren negentig de natie hebben ondermijnd, is gemeengoed geworden. Op dit moment zijn nagenoeg alle strategische goederen immers weer in Russische handen. En zijn bede dat Rusland zonder God verdoemd is, wordt ook meer en meer verhoord. De orthodoxe kerk is machtiger dan ooit in de afgelopen eeuw.

Vanuit de dominante westerse optiek zijn dit ongemakkelijke constateringen. In Rusland wordt de val van de Muur en de Sovjet-Unie nu eenmaal anders gewaardeerd dan hier.

Maar dat de dissidenten Solzjenitsyn en Sacharov een kwart eeuw geleden op gelijke hoogte stonden – beiden werden in 1970 respectievelijk 1975 geëerd met de Nobelprijs – is met terugwerkende kracht geen reden tot bitterheid. Alle twee keerden zich tegen het (neo)stalinisme in hun vaderland en verdienden daarvoor steun. Want wie solidair is met dissidenten in autoritaire regimes, hoeft nog niet solidair te zijn met de ideeën van deze dissidenten. Dat blijft een nuttige les. Binnenkort misschien weer: in China bijvoorbeeld.