Jubileumgedoe

Nederland, Amsterdam, 01-08-08 Tom Egbers. © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Als een ziedende kogel verdwijnt de bal in de kruising van het Feyenoorddoel. Er zijn nog geen vijf minuten gespeeld, Borussia Dortmund gaat aan de leiding en zelfs het meest luidruchtige deel van de Feyenoordaanhang valt stil. Er schijnt een fijne zomeravondzon. De Kuip licht er meer dan schitterend bij.

Nadat een half uur is verstreken, een half uur waarin maar niets wil gebeuren en waarin de stilte steeds onbehaaglijker wordt, begint mijn buurman op de perstribune vanuit het niets te praten. Heeft hij gemerkt dat ik de wedstrijd slechts met moeite tot me door laat dringen, maar vooral geniet van het fenomenale decor?

„Dit stadion”, zegt hij, „is de enige grandeur die deze club nog heeft. Voor wat je tegenwoordig op het veld ziet, hoef ik de deur niet meer uit. Ik ben geboren in 1934, en mijn eerste wedstrijd hier was in het voorjaar van 1940. Nederland-Luxemburg, eindstand 4-5. Mijn vader nam me mee op de fiets. Het was het debuut van Abe Lenstra in Oranje.

„Een paar weken later was het bombardement. Wij woonden op nummer 20, en er waren voltreffers op nummer 12 en nummer 40. Het leven hangt van duizend toevalligheden aan elkaar. Als de wind op die dag anders had gestaan had ik jaren later niet zelf tegen Abe Lenstra kunnen voetballen, in zijn nadagen bij Enschede.

„Ik heb hier Foekje Dillema zien lopen, toen er nog een sintelbaan lag. Nu kom ik hier, omdat het er toch altijd gezellig is. Een nieuw stadion? Ja, daar praten ze al jaren over. Ik zou het niet doen, je ziet wat er van komt als je alles wat goed is van de hand doet.”

Ik overdenk de woorden van mijn buurman. Het wordt voor elke nieuwe lichting voetballers bij Feyenoord steeds moeilijker om in het licht te staan dat voor altijd van de gouden generatie uit de jaren zeventig afstraalt. Bij de perskamer in het stadion hangt sinds kort nog maar één foto: of eigenlijk is het een muurschildering. Drie iconen van Het Gouden Feyenoord naast elkaar, Van Hanegem, Israel en Laseroms. Met daarbij de tekst:

‘De Kromme, IJzeren Rinus, en Theo de Tank. Dat is Feyenoord.’

De spits met rugnummer 37 van afgelopen weekeinde, Diego Biseswar, was ooit een zeer grote belofte van Jong Oranje. Nu weet hij: De Kromme, IJzeren Rinus en Theo de Tank, dat is Feyenoord. En ik heb rugnummer 37.

Als een loden last rust het Gouden Verleden op de schouders van de jonge talenten.

„Ga je mee naar het stadion, naar de club van rood en wit”, luidt de eerste regel van Hand in Hand, Kameraden.

De club van rood en wit speelde vrijdag in groen shirt met witte mouwen en gouden (!) honderdjarig-jubileum-rugnummers. De merchandising draait op volle toeren, alle die hards willen ook dit shirt. Maar Feyenoord in De Kuip moet, altijd, in het vertrouwde rood en wit spelen. Dát is Feyenoord.

Deze club zal voor altijd de eerste Nederlandse club blijven die de belangrijkste Europa Cup won, en ook voor altijd de eerste Nederlandse club die de Wereldbeker pakte.

Voor Gertjan Verbeek en de zijnen zal het een zegen als al het jubileumgedoe rond het honderdjarig bestaan achter de rug is. Als er gewerkt kan worden aan het Feyenoord van nu en straks. Aan een team waarin spitsen niet in een groen shirt met rugnummer 37 hoeven te spelen.

In dezelfde Kuip, voor in elk geval de komende 100 jaar. Dat wel.

Wilfried de Jong is met vakantie.