Ik wil met Tom Holkenborg trouwen

Gister was Tom Holkenborg (Junkie XL) zomergast. Ik vind bekende Nederlanders meestal een vergissing in Zomergasten. Over het algemeen worden Nederlanders niet bekend door hun denkkracht of originaliteit, en dat wreekt zich dan tijdens zo’n lange zit. Maar is Tom Holkenborg wel een bekende Nederlander? Ik heb het hele dance- en house-ding destijds aan me voorbij laten gaan, en ken hem dus alleen van het Elvis-hitje. Ik moet er in ieder geval nog steeds aan wennen dat deejay’s geld als water verdienen, en ze schijnen ook de bijbehorende popsterrenseks te hebben. Dus daar zit een stukje jaloezie, beken ik.

Maar Tom blijkt helemaal geen deejay te zijn, maar een componist, en verder was hij een geweldige zomergast. Ik wil met Tom Holkenborg trouwen. Mijn vriendin ook, maar daar komen we nog wel uit. Tom schrijft niet alleen muziek om op te dansen. Hij is tegenwoordig vooral bezig met muziek voor film en computergames (en wie nu nóg niet weet dat de gamesindustrie inmiddels groter is dan de filmindustrie, is gek).

Alleen even wennen aan die pet.

En aan dat lichte Amerikaans accent. Maar van Tom kan ik het goed hebben. Het feit dat hij in Amerika, waar hij al vijf jaar woont, ‘kattenslaapjes’ doet, is een ontroerend anglicisme.

Nu heeft-ie natuurlijk een streepje voor, omdat we even oud zijn. Als hij bij het vertonen van een docu over diezelfde gamesindustrie vertelt hoe hij zich herinnert dat hij ‘Pong’ nog voor geld speelde, dan wip ik op de bank op en neer ‘Ik ook!’.

De fragmenten die hij toonde, waren overigens niet de kracht van deze aflevering. Niets dat je had móeten zien. De komische noot wordt voor mij onbedoeld getroffen door een stukje uit Reiziger in Muziek met Karlheinz Stockhausen. Nadat eerst zijn loftrompet wordt gestoken, zijn Holkenborg en Heijne het er snel over eens dat er natuurlijk niet naar te luisteren valt. Terecht. Het blijft rampzalige piepknor-ellende.

Waarom is Holkenborg dan zo’n fijne zomergast? Omdat hij op een heel vanzelfsprekende manier eerlijk is. Omdat hij zijn sterke kanten en zwakheden zonder enig exhibitionisme onder woorden brengt. Zijn kracht is zijn bewijsdrift. Hij noemt zichzelf het jongetje dat zijn onzekerheid overschreeuwt. De woorden ‘vechtersbaas’ en ‘rotzak’ vallen.

Opvallend is het gemak waarmee hij afscheid neemt van de dancewereld: „Ik ben daar maar een zeer tijdelijke gast. Ik voel dat we uit elkaar groeien en ik moet verder.” Als iemand zoiets zegt, mag je er meestal vanuit gaan dat hij gewoon niet goed genoeg is. Maar Holkenborg overtuigt als hij betoogt dat voortbouwen op reeds behaald succes een te veilige keuze is. Mensen die vertellen dat ze op hun weg naar boven ook veel vijanden hebben gemaakt, zijn meestal heel vervelende mensen die je niet moet willen kennen. Maar Holkenborg heeft het met iedereen jaren later ook weer goed gemaakt. Echt waar. Iedereen? Nee, één ex-manager die in ’94 is ontslagen, biedt dapper weerstand. Tussen hem en Tom is de lucht nog niet helemaal geklaard. Komt nog wel. Ik wantrouw mensen die zeggen te houden van de Amerikaanse cutthroatconcurrentie. Maar als Holkenborg bekent dat hij het intussen wel bijna begeeft van de faalangst als hij het Amerikaanse avontuur aangaat, heeft hij mij weer voor zich gewonnen.

Wat betreft zijn zwakheden is hét moment van de avond als Holkenborg onverwachts gaat huilen wanneer hij vertelt over de film Eraserhead van David Lynch. De film maakt zo’n indruk op hem omdat het een perfecte weerspiegeling is van de gevoelens die hij heeft als hij weer een paniekaanval krijgt. Hij daagt ons uit zijn keuzefilm te ‘durven’ kijken. Heijne ziet ook humor in de film, Holkenborg niet. Die ziet alleen angst en beklemming.

Ik ben bang dat Tom niet oud gaat worden. Hij slaapt maximaal drie uur per nacht, en niet uit vrije wil. Ik slaap in een andere kamer, dat is zeker.