Held Westerse intellectuelen stelde hen teleur

Solzjenitsyn bleek tot verdriet van Westerse, linkse intellectuelen geen heraut van de democratie. Hij ontpopte zich na de jaren ’70 tot een fervent Russisch nationalist.

Aleksandr Solzjenitsyns gedwongen emigratie uit de Sovjet-Unie, in 1974, maakte de Russische schrijver kortstondig tot een held van de Westerse intelligentsia. Zijn boek De Goelag-archipel, een minutieuze beschrijving van Stalins terreurmachine, opende, vooral in Frankrijk en Duitsland, de ogen van menigeen die tot dan toe aan het Sovjet-communisme en zijn afgeleiden in China en elders nog een zekere geloofwaardigheid en legitimiteit had toegekend.

Maar al heel vlug bleek de status van Solzjenitsyn als heraut van de, in Rusland toen nog onbereikbaar lijkende democratie volkomen misplaatst. Eenmaal gevestigd in de Amerikaanse staat Vermont ontpopte de vermoedelijk grootste Russische schrijver van de twintigste eeuw zich tot een fervent Russisch nationalist van negentiende-eeuwse signatuur, van een type dat in het Westen maar weinig sympathie ondervindt: aartsconservatief, overtuigd van een morele superioriteit van het Russische volk, en orthodox-christelijk fundamentalist.

Daarbij kwam nog Solzjenitsyns neiging om het tragisch lot van de Russische natie en de wereld in het algemeen voor een aanzienlijk deel aan ‘de joden’ te wijten. Solzjenitsyns laatst verschenen, door maar weinigen gelezen grote werk, Twee eeuwen samen uit 2002 en 2003, behelst een parallelle geschiedenis van de Russen en joden tussen 1795 en 1995. Volgens de Amerikaanse historicus Richard Pipes, die de antisemitische tendens in Solzjenitsyns werk al bespeurde in diens boek Augustus 1914 uit 1972, is Solzjenitsyns begrip van de joodse invloed in de Russische geschiedenis niet racistisch in die zin dat er sprake zou zijn van etnische criteria. Blijft evenwel het feit dat Solzjenitsyn, in cultuurhistorische zin en net zoals veel andere Russische nationalisten, de Oktoberrevolutie van 1917 die de communisten in Rusland aan de macht bracht, met het grote aantal joodse leden en prominente politici van Lenins partij der bolsjevieken in verband brengt.

De (democratische) Februari-revolutie van 1917 was in de ogen van de schrijver een ‘echte’ autochtoon-Russische revolutie, die van oktober echter een importproduct. Het tsaristische Rusland had zich in 1914 en in de jaren daarvoor beter minder op Europa kunnen richten, betoogde Solzjenitsyn in 1995 in De Russische kwestie. Dan was het land niet betrokken geraakt bij de Eerste Wereldoorlog en had de geschiedenis een heel ander, meer autochtoon-Russisch verloop gekend.

In een interview met het Duitse weekblad Der Spiegel vorig jaar, een van de weinige keren dat Solzjenitsyn zich de afgelopen jaren verwaardigde in te gaan op Westerse kritiek op zijn ideeën, heeft de schrijver zich overigens verweerd tegen het verwijt van antisemitisme. Het ging er hem niet om, zei hij daar, joden iets te verwijten, maar hij meende dat ‘de joden’ zich rekenschap dienden te geven van hun plaats en verantwoordelijkheid in de geschiedenis. Van ‘de Russen’ mocht hetzelfde worden verwacht, aldus Solzjenitsyn.

De vervreemding tussen de Russische nationalist Solzjenitsyn en de Westerse intelligentsia begon vrijwel onmiddellijk na zijn gedwongen emigratie in 1974. Al meteen liet de schrijver weten dat zijn werk niet in de eerste plaats als een aanklacht tegen de Russische staat van dat moment mocht worden opgevat: „De scheidslijn tussen goed en kwaad loopt niet tussen staten, klassen en partijen, maar door ieder mensenhart”.

En het kwaad regeerde zeker niet alleen in Rusland, zei hij tijdens een toespraak voor een lichtelijk verbaasd Amerikaans Congres in 1975: „Totdat ik naar het Westen kwam en daar twee jaar kon rondkijken, had ik nooit kunnen vermoeden in welke extreme mate het Westen een wereld zonder wil was geworden”.

Dat de Verenigde Staten als democratie op enigerlei wijze superieur zouden zijn aan de Sovjet-Unie, was zeker niet zijn gedachte – eerder ging hij uit van een geheime belangengemeenschap van ‘Westerse kapitalisten en communistische leiders’. En dit alles ten koste van de vele voortreffelijke eigenschappen van het Russische volk, waarvan hij er in De Russische kwestie enkele opnoemde: openheid, oprechtheid, eenvoud, gevoel voor het noodlot, volharding enzovoorts.

Toen Solzjenitsyn in 1994 naar Rusland terugkeerde, bleek hij even weinig sympathie op te brengen voor de beginnende democratie daar onder president Jeltsin als hij in 1974 voor de democratie in Amerika had gehad. „Het was geen democratie maar anarchie”, zei hij vorig jaar.

Zijn eigen voorstelling van democratie heeft meer van doen met negentiende-eeuwse voorstellingen van een Rusland dat zichzelf vanuit de basis, op dorpsniveau weet te besturen en zijn unieke karakter weet te behouden – wat een krachtig centraal gezag vanuit Moskou natuurlijk helemaal niet uitsluit.

De Westerse bedreiging van dat Rusland was in zijn ogen nog even actueel als in 1914. Vorig jaar zei hij dat de NAVO Rusland „totaal omsingelt met bezettingstroepen” door voormalige Sovjet-republieken en Oostbloklanden in de NAVO op te nemen. Toen de NAVO in 1995 tijdens de Kosovo-crisis Servië bombardeerde, zei de schrijver dat er „geen verschil is tussen de NAVO en Hitler”.

    • Raymond van den Boogaard