Behandeld en verkocht als slaaf

In het arme Moldavië is werken in het buitenland voor veel vrouwen een uitweg.

Ze worden nietsvermoedend aan pooiers verkocht om in de prostitutie te werken.

„Het is mooi als ze ‘dag’ zeggen. En het is heel mooi als ze ‘dank je’ zeggen”. De jonge arts Viorel Gorceag koestert zich geen illusies over de slachtoffers van mensenhandel die hij helpt in zijn opvanghuis in de Moldavische hoofdstad Chisinau.

Natuurlijk, de vrouwen zijn blij om weer terug te zijn in Moldavië. En vooral blij dat ze niet langer als prostituee moeten werken en door hun pooiers worden doorverkocht aan de hoogste bieders. Maar dankbaarheid? Nu moeten ze terug naar hun dorp, waar ze moeten leren omgaan met de schaamte voor het feit dat ze als slaven zijn behandeld en hun lichamen hebben verkocht.

Gorceag ziet veel jonge vrouwen langskomen. Moldavië is door zijn sociaal-economische situatie (het vier miljoen inwoners tellende land is het armste in Europa) een van de belangrijkste landen voor mensenhandel. Voor velen is een baan in het buitenland een uitweg. In 2006 registreerde de International Organization for Migration (IOM) 295 nieuwe slachtoffers en 512 „risicogevallen” – vrouwen waarvan de organisatie vermoedt dat ze ten prooi zullen vallen aan mensenhandelaren.

De slachtoffers wordt voorgespiegeld dat ze in het buitenland in bijvoorbeeld de horeca gaan werken. Vervolgens worden ze tegen hun wil verkocht aan pooiers, vooral in Turkije en Dubai, waar veel vraag is naar westers uitziende prostituees. De Europese Unie is minder in trek bij mensenhandelaren sinds de grenzen beter worden bewaakt.

In 2001 werd door IOM, dat aan de VN is gelieerd, een crisiscentrum opgericht in Chisinau voor vrouwen die weten terug te keren. Het is nog steeds het enige opvanghuis in Moldavië en wordt door buitenlandse donoren gefinancierd. Jaarlijks worden er ruim 300 vrouwen geholpen. De organisatie helpt ze ontsnappen, brengt ze terug, en zorgt voor rehabilitatie en reïntegratie.

Gorceag is een forse, behaarde man van rond de dertig. Toen hij net arts was, raakte hij betrokken bij het werk in het crisiscentrum. Nu is hij er directeur. Hij plukt aan zijn telefoon als hij met zachte stem spreekt over de vele vrouwen met nachtmerries, slapeloosheid en afkickverschijnselen die hij sinds zeven jaar opvangt.

Volgens Gorceag is het in eerste instantie minder belangrijk om de vrouwen te vragen wat er is gebeurd – „want dat is altijd vreselijk” – maar gaat het om wat er nu moet gebeuren om hen te helpen de draad weer op te pakken. Want de factoren die ervoor zorgden dat de vrouwen zich lieten overhalen tot een onzeker bestaan in het buitenland, zijn nog niet verdwenen. De meeste slachtoffers zijn slecht opgeleid, komen van het platteland, hadden geen of slecht betaald werk, en werden thuis mishandeld. „Dat maakte ze kwetsbaar voor ronselaars”, zegt hij.

De daders zijn overigens niet altijd mannen. IOM merkt dat mensenhandelaren steeds vaker vrouwen zijn, ex-slachtoffers die zijn vrijgelaten op voorwaarde dat ze bijvoorbeeld drie nieuwe vrouwen rekruteren.

Volgens arts Gorceag is het belangrijk om de vrouwen een betere toekomst te geven. In het opvanghuis kunnen de vrouwen een opleiding krijgen. „Allemaal willen ze Engels leren en secretaresse worden”, vertelt hij. „Maar dat is onmogelijk met hun opleidingsniveau.” Dus worden ze kapsters of beginnen ze een winkeltje. In het beste geval.

Gorceag beschermt zijn vrouwen en het opvanghuis. Hij laat een foldertje zien om te tonen hoe het centrum eruit ziet, en geeft een dvd mee met daarop getuigenissen van vrouwen die zijn verhandeld. Hij wil niet dat de bezoekers bij het centrum langsgaan, of dat ze met de vrouwen spreken.

Op de dvd is onder meer de getuigenis te zien van Natalia. Ze belandde in Turkije en werd zes keer doorverkocht aan verschillende eigenaren in vijf verschillende steden, voor wie ze zich moest prostitueren. Ze had al bedacht om vanuit de zevende verdieping van de woning waar ze zat in een boom te springen om te ontsnappen. Dat was uiteindelijk niet nodig: haar eveneens ontvoerde zusje wist de politie te informeren, die hen redde en overdroeg aan dokter Gorceag in het centrum in Chisinau.

Een verdieping lager in het kantoor van IOM in Moldavië, waar de dokter zijn verhaal doet, is de telefonische hotline voor slachtoffers gevestigd, opgezet door La Strada, een Europees netwerk dat vrouwenhandel bestrijdt en in 1987 in Nederland werd opgericht.

„Inmiddels kan ik ’s avonds de database sluiten en alle verhalen achter me laten”, vertelt psychologe, telefoniste en afdelingshoofd Victoria Dochitcu, een vrouw van rond de dertig met geblondeerd haar, paarse nagellak en een roze zomerjurkje aan. „Maar dat heb ik moeten leren. Ik herinner me dat ik toen ik begon een keer ’s nachts wakker ben gebeld door een vrouw die zei: ik wil vanavond ontsnappen, wat moet ik doen? Ik weet nog dat ik heel snel praatte en honderd keer herhaalde: je moet niet nu vluchten. Het risico was te groot. Maar ik was de rest van de dag toch bang dat ik het verkeerde advies had gegeven en dat ze was vermoord.”

Sinds september 2001 hebben Dochitcu en haar collega’s in totaal ruim 25.000 telefoontjes beantwoord, waarvan een kleine 5.000 van slachtoffers die hulp vroegen. Het grootste deel van de bellers wil alleen controleren of het aanbod voor een baan in het buitenland dat ze hebben gekregen niet „stinkt”. Als er geen haast geboden is, werken de telefonistes een lijst met vragen als: ‘Hoe ben je geronseld’, ‘Wat is er met je paspoort gebeurd’ en ‘Hoe werd je uitgebuit’.

Ook de vrouw die Dochitcu ’s nachts wakker belde en haar slapeloze nachten bezorgde, nam contact op vanuit het buitenland. „Het was een slimme vrouw, ze was doktersassistente. Ze heeft mijn raad toen opgevolgd en is niet gevlucht. Een jaar later belde ze opnieuw, ik kreeg haar toevallig weer aan de lijn. Dit keer kon ze wel ontsnappen.” De vrouw heeft uiteindelijk het opvangcentrum in Chisinau bereikt.

Bekijk foto’s van het opvangcentrum in Chisinau via: nrcnext.nl/links