Wishful thinking

Alzheimermedicijnen hebben voorlopig vooral invloed op beurskoersen. Niet op de ziekte. Hester van Santen

Vrijwel alle farmaceutische industrieën hebben medicijnen tegen alzheimer ‘in de pijplijn’. Maar op middelen die echt werken is nog geen zicht. foto bas czerwinski 17-09-2004, DEN HAAG. VERPLEEGHUIS DE LOZERHOF. FOTO BAS CZERWINSKI Czerwinski, Bas

Hoera, de nieuwe Alzheimerpillen komen eraan! Je zou het bijna denken. Gisteren eindigde het grote tweejaarlijkse Alzheimercongres ICAD, in Chicago en de makers van experimentele medicijnen buitelden over elkaar heen met optimistische persberichten.

Zo was er Claude Wishik van de universiteit van Aberdeen (Schotland), oprichter van een klein farmabedrijf die de positieve resultaten meldde van het experimentele middel Rember. “Dit is de belangrijkste vooruitgang in de behandeling van eiwitophopingen [in de hersenen] sinds Alois Alzheimer ze in 1907 ontdekte”, pochte Wishik tegen het Franse persbureau AFP. De Britse omroep BBC bracht een patiënt in beeld die vertelde dat het middel zijn leven had veranderd.

Het zou welkom zijn. Nederland telt ongeveer 200.000 demente ouderen, van wie driekwart aan alzheimer lijdt. De huidige medicijnen tegen de ziekte hebben nauwelijks effect. Er zijn wereldwijd vier ‘cholinesteraseremmers’ op de markt (in Nederland twee, waarvan de eerste sinds 1999) om beginnende alzheimer te vertragen. Ze geven een half jaar lang wat verbetering in het geestelijk functioneren, bij een kleine minderheid van de patiënten en met misselijkheid als bijwerking. In een Britse studie (The Lancet, 26 juni 2004) bleek dat de pillen niet voorkomen dat iemand in het verpleeghuis wordt opgenomen.

hoop

Is het nu beter? Vier alzheimerspecialisten leveren, merendeels vanuit Chicago, commentaar op de nieuwste vondsten. Ze spreken over het ICAD-congres, en over de algemene ontwikkelingen. Over de pillen die nu bij patiënten zijn uitgeprobeerd zijn ze, alle juichverhalen ten spijt, niet enthousiast. Hoogleraar neurologie Pim van Gool van het Amsterdams Medisch Centrum formuleert bedachtzaam. Op de vraag of de medicijnontwikkeling er beter voor staat dan vijf jaar geleden, zegt hij: “Ik had daar heel graag ja op geroepen. Maar ik denk niet dat het zo is.”

Hoogleraar Bart de Strooper, moleculair onderzoeker van alzheimer aan de Katholieke Universiteit Leuven, belt om half acht ’s ochtends op vanuit Chicago. “Pff”, begint hij. “Ik ben nog niet van mijn stoel gevallen.” Zijn collega, hoogleraar Fred van Leuven die in Leuven een moleculair neurologisch lab leidt en samenwerkt met de Universiteit Maastricht, antwoordt per e-mail tijdens het ontbijt in de VS. “Het gevoel van een golf van nieuwe producten deel ik niet.”

Er zijn wel interessante nieuwe ontwikkelingen, vinden ze. Hoogleraar neurologie Philip Scheltens van het VU Medisch Centrum mailt enthousiast, laat op de avond. „Er is meer interesse uit de farma-industrie. Vrijwel elk bedrijf heeft momenteel een pijplijn met nieuwe middelen.”

“Wat een leidend onderzoeksthema is”, begint Van Gool, “zijn allerlei manieren om de neerslag van amyloïd-bèta te beïnvloeden.” Amyloïd-bèta, op zijn Nederlands bèta-amyloïde, is het eiwit dat zich in de hersenen van alzheimerpatiënten ophoopt. Het vormt er plaques die worden beschouwd als een oorzaak van de achteruitgang van alzheimerpatiënten.

Naarstig wordt gezocht naar medicijnen om de vorming van plaques tegen te gaan. Want de bestaande geneesmiddelen bestrijden alleen symptomen: de cholinesterase-remmers krikken de zenuwoverdracht in de hersenen op.

In 1999 was de eerste aanpak succesvol in proefdieren: een injectie met bèta-amyloïde die patiënten antistoffen tegen dat schadelijke eiwit liet maken. Maar toen het daarna bij alzheimerpatiënten werd getest, kreeg 6 procent van hen een hersenontsteking. Sommigen liepen, bovenop hun ziekte, blijvende schade op. Het vaccin AN1792 was van de baan.

Op het congres in Chicago kreeg de opvolger van dat mislukte vaccin veel aandacht. Elan, het bedrijf dat het produceerde, werkt nu met de grote farmaceutische onderneming Wyeth aan zogeheten passieve immunisatie. Niet het lichaam maakt de antistoffen, maar het laboratorium. Dat is veel duurder, maar beter te sturen.

Maar de antistof bapineuzumab, die nu bij 234 patiënten is getest, deed niet wat hij moest doen. De ouderen functioneerden er niet beter door en er waren ook wat patiënten die vocht vasthielden in hun hersenen. Na het nieuws, dinsdag, zakte de koers van Wyeth in New York met 10 procent.

Toch bleven de makers optimistisch: bij een deel van de patiënten, bij een mensen met een laag genetisch risico op alzheimer, werkte het wel. VUMC-hoogleraar Scheltens mailt: “Dit moet verder uitgezocht worden.” AMC-neuroloog Van Gool is niet overtuigd dat het middel in een deel van de patiënten werkt. Andere farmabedrijven hebben ook experimentele antilichamen gemaakt, maar hebben nog geen resultaten van studies bij patiënten.

moleculaire scharen

Er zijn meer manieren om het bèta-amyloïde in de hersenen omlaag te krijgen. De meest genoemde zijn de secretaseremmers. Secretases, pas in 1999 ontdekt, zijn de enzymen ('moleculaire scharen', noemt De Strooper ze) die bèta-amyloïde doen ontstaan. Die kunnen geblokkeerd worden. Een van de middelen die dat doet bracht het tot de laatste ontwikkelingsfase. En sneuvelde toen.

Het onderzoek met Flurizan, ook gepresenteerd in Chicago, was het grootste en langste voor een alzheimermedicijn ooit, met 1.649 patiënten waarvan de ernst van de dementie anderhalf jaar werd bijgehouden. Flurizan werkte niet.

De secretaseremmers blijven niettemin in beeld, en ook in het algemeen wordt de aanpak van bèta-amyloïde nog steeds nuttig geacht. Maar, tekent amyloïde-deskundige Fred van Leuven aan: “De mogelijkheden zijn vrijwel uitgeput.” Daarbij: het idee dat dat alléén voldoende is om alzheimer tot staan te brengen, is verdampt. Het lijkt erop dat er al op middelbare leeftijd, voordat de vorming van plaques begint, zaken mis gaan in de hersenen.

Wat te doen? Meer aandacht voor preventie van alzheimer, zegt Pim van Gool. Via levensstijl, en misschien via hart- en vaatmedicijnen. En, voegen anderen toe, via het tau-eiwit. Dat hoopt zich ook op in de hersenen van alzheimerpatiënten. Het middel Rember waar de pers zo lovend over sprak, zou dat verhinderen.

De wetenschappers die er in Chicago over hoorden, schamperen. VUMC-neuroloog Scheltens: “De behandeling met Rember was dermate slecht gepresenteerd dat een antwoord niet gegeven kan worden.” Het middel is trouwens gewoon te bestellen op internet, schrijft Scheltens. Het is een labkleurstof, uitgevonden in de jaren vijftig. “Ik raad het iedereen af.”

    • Hester van Santen