Versleten tropenpak

Op het schiereiland de Krim in de Zwarte Zee is veel armoede en vervallen glorie te zien. „Zie je dat schriftje? Het was van de tsarevitsj.”

Strand in Jalta Oekraine, Krim, Jalta, 05-06-2008 Op het strand van Jalta. Twee vrouwen bij een omkleed hokje met reclame van o.b. Tampons. Jalta is een stad in de Krimrepubliek op de Krim, in Oekraine. De stad is vooral bekend door de Conferentie van Jalta, die hier in februari 1945 plaatsvond. De gemeente Jalta is gelijk aan de stadsrayon Jalta. Jalta was en is een geliefd kuuroord. Het ligt in de luwte van het Krimgebergte en heeft daardoor een aangenaam klimaat met 2250 zonuren per jaar, een gemiddelde julitemperatuur van 24 graden, een verkoelende zeewind en 's winters weinig sneeuw. Beroemdheden als Tsjechov, Tolstoj en Tsjaikovski verbleven in Jalta. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS reclame billboards tampons O.b. Cremers, Roger

Op het vliegveld van Simferopol vechten taxichauffeurs om klanten. De inflatie heeft die zaterdag de 30 procent bereikt, de benzineprijs is met een onwerkelijke factor vermenigvuldigd. En daardoor zijn de wegen naar de zuidkust vrijwel leeg.

Voor wie uit het drukke Moskou komt, is het een ongewoon tafereel. De afwezigheid van zwarte Hummers, BMW’s, Mercedessen en Lexussen verbaast nog meer. Alsof op de Krim geen malafide Oekraïense en Russische zakenmensen bezig zijn hun geld wit te wassen. Taxichauffeur Igor, die ons aan de haak heeft geslagen voor de rit naar Jalta, maakt aan die gedachte abrupt een einde: „In het Oekraïense parlement zitten de grootste boeven, zowel in de regeringspartij als in de oppositie”, bromt hij, terwijl hij vaart mindert bij het zien van een verkeersagent. „Ze zitten alleen maar in de politiek om vijf jaar lang immuniteit te hebben. Zo kunnen ze niet voor hun duistere zaakjes worden vervolgd. Hun zwarte geld wassen ze hier wit met de bouw van enorme villa’s aan de kust, met hekken eromheen die ervoor zorgen dat wij niet meer bij het strand kunnen komen.”

Buiten de vele dorpen die we passeren staan tientallen kleine huisjes van lichtbruin zandsteen als hooimijten in het veld. Ze worden bewoond door Tataarse migranten, die sinds kort naar de Krim zijn teruggekeerd uit Tadzjikistan, Oezbekistan, Kazachstan en Siberië, de ballingoorden waarheen hun ouders in mei 1944 op last van Stalin werden gedeporteerd als straf voor hun collaboratie met de Duitse bezetter. Dankzij hun remigratie zijn veel van die dorpen weer net zo Tataars als voor de verovering van de Krim door Catharina de Grote aan het eind van de achttiende eeuw. „Die huisjes bouwen ze in een paar dagen”, zegt Igor. „En maar niet denken dat ze vervolgens werken, hoor. Want Tataren zijn aartslui.”

De agenten langs de weg jagen op steekpenningen. Naarmate we de kust naderen worden ze echter steeds vaker afgewisseld door vrouwen op hoge hakken met opzichtige handtassen die een andere prooi zoeken. De nachtvlinders van de Krim maken overuren. „Die meisjes zijn geen professionele hoeren”, zegt Igor. „Maar huismoeders en dochters die door hun mannen of broers de straat op worden gestuurd om wat bij te verdienen. Want anders kun je hier niet overleven.”

Stuurt hij zijn eigen vrouw ook de straat op? „Ben je gek. Zij is verkeersleider op het vliegveld. Daar werkte ik zelf ook als vliegtuigbouwkundig ingenieur, totdat onze nationale luchtvaartmaatschappij failliet ging en ik op straat stond. Sindsdien ben ik taxichauffeur. En voor ziekte zijn we geen van beiden verzekerd. Als een van ons iets ernstigs krijgt, is dat meteen een doodvonnis.”

Als we na het doorkruisen van een wijngebied de kust bereiken krijgt het landschap een subtropische tooi. Dit is het Oekraïense zuiden aan zee, met een vegetatie van cipressen en palmbomen. En juist als je aan dit tafereel bent gewend, duikt de beledigende lelijkheid van de Sovjet-Unie op in de vorm van het ene na het andere afzichtelijke sanatorium in bunkervermomming. Na de laatste bocht voor Jalta krijgen ze gezelschap van vervallen flatgebouwen.

Eenmaal in het centrum van het kuuroord hervat het leven zijn slome tred. De oude stad hult zich, op de gerestaureerde en lawaaiige boulevard na, in een versleten tropenpak. Die neergang wordt nog eens onderstreept door de gebutste trolleybussen, die uit de jaren vijftig dateren. In de achterstraten stinkt het naar niet opgehaald afval. De eens pronkerige negentiende-eeuwse villa’s zijn verveloos. En toch hoef je maar weinig fantasie te hebben om Tsjechov en Gorki te zien rondslenteren. Hoezeer affiches met opwindende vrouwen de verloren tijd ook proberen te verjagen.

Op de boulevard zijn nachtvlinders en dronkenlappen een alledaags verschijnsel. Er hangt de sfeer van een nachtclub die altijd open is, voor alle seksen en zwaar- of lichtgewichten. Drank vloeit rijkelijk, drank waarmee je een droomwereld kunt creëren waar alles mooi is en geen inflatie bestaat. Geheelonthouding staat hier niet in het woordenboek.

Op de rede liggen cruiseschepen, die de Zwarte Zeekust afvaren. Ze zijn vernoemd naar schrijvers als Tsjechov, Gorki en Tolstoj, maar ook naar generaals en maarschalken van het Rode Leger. Aan boord jongbejaarde Britten, Duitsers en Nederlanders, natuurlijk in korte broek.

Zonder Tsjechovs verhaal De dame met het hondje zou Jalta waarschijnlijk nooit zo’n grote reputatie hebben gekregen. De stad is de dame met het hondje dan ook zo dankbaar dat zij tegenwoordig in brons wordt gehuld.

Via de Lomonosov-straat loop je in een klein half uur naar het huis dat Tsjechov er enkele jaren voor zijn dood in 1904 liet bouwen. Het ligt in een parkachtige tuin die hijzelf heeft aangelegd. Het huis is als het slothoofdstuk van het boek over zijn leven, al staat het nu bijna op instorten doordat de fundamenten verzakt zijn en niemand voor de renovatie wil betalen.

De boulevard loop je gemakkelijk af in westelijke richting. Via een park en kleine weggetjes die je langs een oude wijnkolchoz voeren, bereik je binnen een klein uur het Livadiapaleis, de in 1911 in Italiaanse Renaissancestijl gebouwde zomerresidentie van de laatste tsarenfamilie. Het is mooi, wit en overzichtelijk.

Voor de kassa staan cohorten Amerikaanse toeristen die de zaal willen zien waar Stalin in 1945 met Roosevelt en Churchill het lot van het naoorlogse Oost-Europa bepaalde. De gids loodst hen door de privévertrekken van Roosevelt. „De Amerikaanse president wilde alles blauw hebben en liet zijn eigen meubilair per marineschip naar het paleis overbrengen”, zegt de vrouwelijke gids die op Rita Hayward lijkt.

Op de eerste verdieping huist het nauwkeurig geconserveerde verleden van de Romanovs. Het is er gezellig en knus, met allerlei zitjes en hoekjes waar je kunt wegkruipen, zoals je kunt verwachten van een hecht gezin als dat van Nicolaas II. De bejaarde dames die als suppoost optreden vinden het heerlijk om over de hun toevertrouwde geesten te mogen vertellen. „Zie je dat schriftje?” vraagt een van hen. „Het was van de tsarevitsj.” Ze glundert van trots.

Via het paleispark wandelen we over het Zonnepad naar het zeven kilometer verderop gelegen Zwaluwnest. Het pad, aangelegd in opdracht van Nicolaas’ lijfarts die geloofde dat lichaamsbeweging in de buitenlucht de tuberculose van de keizerlijke familie zou genezen, raakt halverwege in verval en verdwijnt in het niets, waardoor de laatste kilometer naar het Zwaluwnest over de weg moet worden afgelegd.

Het Zwaluwnest blijkt een speelgoedkasteeltje, dat de Duitse oliemagnaat baron Steingel in 1912 op een rotspunt hoog boven de zee voor zijn maîtresse liet bouwen. Nu huist er een duur Italiaans restaurant. Maar je kunt er nog altijd omheen lopen en genieten van het uitzicht op de kust en op de vele dolfijnen in de verte.

Het begint te regen. Mistflarden klimmen als witte wieven tegen de bergwanden op. De Krim is ineens spookachtig. Beneden liggen de paleizen van de anglofiele vorst Vorontsev, die een zomerresidentie als een Engels kasteel liet bouwen, en van de vorsten Joesoepov, familie van de tsaar. Maar we laten het voor wat het is en huren een auto om over de kustweg verder te rijden naar Sevastopol, marinehaven voor zowel de Oekraïense als de Russische Zwarte-Zeevloot.

Zeventig kilometer verderop duiken de eerste Sovjetflats van de magische stad op, waar tot 1996 buitenlanders niet binnen werden gelaten. De hoofdstraten weerspiegelen ook hier de economische crisis. Armoede is alom zichtbaar.

Maar dan verschijnt Hotel Oekraïne met zijn door de Weense Secession en Bauhaus geïnspireerde hal en begint het centrum met zijn mooie witgesausde Stalingebouwen, die anders dan in Rusland slechts drie woonlagen tellen en de straten een zuidelijk, mediterraan karakter geven. Sevastopol is aangeveegd en proper, alsof een leger straatvegers zich er dag en nacht om bekommert haar schoonheid te waarborgen.

De Grote Zeestraat voert ons als vanzelf naar de haven, waar Russische en Oekraïense oorlogsschepen gebroederlijk voor anker liggen. Aan het havenfront staat ook het oude Hotel Sevastopol met zijn neoclassicistische façade. „Sodemieter op”, zegt een politieagent als we onze auto voor de deur willen parkeren. Er is duidelijk hoog bezoek op komst. Als we even later een parkeerplaats elders hebben gevonden en een kamer boeken, verontschuldigt de vriendelijke receptioniste zich: „Er is een delegatie van Oostenrijkse politieagenten in aantocht en die moet met alle eer worden ontvangen.”

Op de Nachimovboulevard herinnert niets eraan dat Sevastopol in 1942 door de Duitsers in puin is geschoten en de meeste gebouwen dus van na de oorlog dateren. Naast het hotel ligt het stadstheater, waar een komedie van Ostrovski wordt opgevoerd. Alvorens naar binnen te gaan flaneert het publiek in zijn beste kleren over het voorpleintje. Om hen heen hangt de sfeer van de jaren vijftig, die je in de provincie van de voormalige Sovjet-Unie overal tegenkomt.

Drie bejaarde meisjes aanschouwen de theaterbezoekers vanaf een marmeren bank. Ze komen zeker dertig centimeter tekort om met hun benen de grond te kunnen aanraken. Als ik hun vraag waarom zij niet naar het toneelstuk gaan, zegt een van hen: „Veel te duur. We hebben geen cent te makken.” Maar ze kunnen erom lachen. „Want we hebben elkaar.”

Op de daken van veel statige gebouwen wapperen Russische vlaggen, terwijl we toch in Oekraïne zijn. Russische en Oekraïense marineofficieren passeren elkaar zonder elkaar te groeten. Aan de gevel van een van de marinegebouwen hangt een gevelsteen met het bronzen hoofd van Lev Tolstoj, die hier in 1901 enkele dagen heeft gelogeerd toen het marinegebouw nog Hotel Kist heette. Het is diezelfde Tolstoj die in 1854-’55 bij Sevastopol in de Krimoorlog tegen de Engelsen en de Fransen vocht.

Een eindje verderop legt de pont aan die naar de andere oever van de baai vaart. Een accordeonist speelt en zingt zeemansliederen. Achter een neoclassicistische zuilengalerij van een havengebouwtje schieten de zeilen van een plezierjacht langs, dat het ruime sop kiest. Het is een beeld uit een film. De regen is opgehouden. De zon vertoont zich nog even, om afscheid van de stad te nemen en daarna in zee te vallen.

    • Michel Krielaars