Opinie

    • Youp

UIt mijn duim (3)

Amper twee dagen onderweg en nu al onder schot. Hoewel? Was het pistool echt? Ik vroeg me dat overigens toen niet af. Op dat moment was alles echt. Ik zag de trillende gek en realiseerde me dat hij zomaar voor me gestopt was, dat ik nog helemaal niet gelift had, dat ik nog bezig was om mijn slaapzak op te rollen en op mijn rugzak te binden. Toen hoorde ik een auto toeteren en wenkte hij mij. Verbaasd liep ik naar hem toe. Of ik een lift wilde? Ja! Dan moest ik wel opschieten. Hij ging tot ver in Denemarken.

Helemaal blij stapte ik in. En nu, nog geen vier kilometer later, besefte ik dat ik bij een levensgevaarlijke psychopaat in de auto zat, een man die tot alles in staat was. Of tot niets. Of ik bang was? Doodsbang. Begreep opeens helemaal niks van mezelf. Mijn vrienden waren met een oude auto naar Spanje en hadden me tien keer gevraagd of ik mee wilde. Gewoon ongecompliceerd lachen, beetje achter de meisjes aan, dom liggen op een strandje en tot diep in de nacht naar de disco. Maar ik wilde niet. Ik moest en zou alleen. Kon het ook niet uitleggen. Sinds een paar jaar schreef ik. Liedjes, gedichten, gedachten. Een puber met een overvol hoofd.

En schrijven moet je alleen doen. Niet met drinkende vrienden die al dat artistieke gedoe toch wel wat aanstellerig vonden. Schrijven doe je ‘s nachts. Als het stil is. Daar moet niemand bij zijn. Geen vragen, geen antwoorden. Gewoon stilte. Schrijven, schrappen, weggooien, opnieuw beginnen, wenden, keren, ondersteboven houden en heel lang naar een regel staren.

Het was het begin van mijn leven als schrijver. Dat was het enige dat ik zeker wist: ik werd schrijver. Dat wou ik niet. Dat moest ik. Van wie? Van mijn hoofd en mijn hart. En schrijvers hangen niet op stranden en in discotheken. Schrijvers zwerven, zien en noteren. Ik was nog koortsig van mijn nachtje Reeperbahn. Mannetje van zeventien, een stampende hormonenkermis zonder geld, dolend tussen de bordelen, mijn rugzak op een hele vieze kamer in een smerig hotel en maar kijken. Kijken naar al dat opwindende lekkers.

Zo alleen en zo gelukkig. Of misschien juist heel ongelukkig en dat laatste maakt me weer intens gelukkig. Ongeluk is nou eenmaal een prettige pijn. Ingewikkeld? Ik kan het niet beter uitleggen. Ik wist dat dit mijn leven zou worden. Dolen en denken. Onschuldig nieuwsgierig. Zoeken en het uiteindelijk nooit vinden. Ik kon het mijn ouders niet uitleggen. Hoewel?
Later begreep ik dat ze me wel degelijk snapten. De mededeling dat ik met mijn zeventien jaar alleen op reis wilde verbaasde hen geenszins. Het hoorde wel bij me. Maar ze hadden liever dat ik nog een jaartje zou wachten. Maar sommige dingen kunnen niet wachten.

Die moeten. En die moeten alleen. Dat is onontkoombaar. Ik moest de discussie aan. De discussie met mezelf. Waarover? Over alles. Over mijn mislukte schoolcarrière, mijn toekomst, mijn verleden, mijn heden. Met wie? Met wat? Ik wilde spelen, vermaken, hard lachen, zacht huilen, schreeuwen, fluisteren en ik wist dat ik bij het verzinnen niemand kon gebruiken. Met niemand overleggen. Niemand teleurstellen. Daarom was ik alleen. Helemaal alleen. Zielsgelukkig alleen. De eerste van vele reizen.

Doelloze trektochten met een pen, wat papier en een grote stapel boeken. Hier had ik jaren over gedroomd. Zo wilde ik leven. Dit was het begin van mijn uiteindelijke geluk en het eind van een overigens geweldige jeugd, waar ik met een grote glimlach op terug kijk.

Opgewonden stapte ik bij de onverstaanbare chauffeur in de vrachtwagen, drie dagen ging het crescendo en nu zat ik in een Mercedes naast een oude man, die zwaar ademde en zweette als een otter. En die een pistool op mij gericht hield. Een trillend pistool.
Dinsdagochtend. Kwart over zeven. Zeventien jaar. Noord-Duitsland. Jongen onderweg. Jongen is een te groot woord. Een doodsbang kereltje. Een kind. God wat had mijn moeder gelijk. (Wordt vervolgd.)

Youp van ’t Hek

    • Youp