Surfen op de Spelen

Toen het Internationaal Olympisch Comité (IOC) in 2001 besloot de Olympische Spelen van 2008 aan Peking toe te wijzen, gebeurde dat in de hoop dat dit tot verbetering van de mensenrechten in China zou leiden. Het lijkt er sterk op dat deze hoop ijdel zal zijn. Amnesty International constateerde deze week op basis van eigen onderzoek dat China de Spelen juist misbruikt om de mensenrechten te schenden.

Zeven jaar geleden sprak directeur Carrard van het IOC-bureau, in aanwezigheid van de Chinese minister voor Sport en de burgemeester van Peking in Moskou, de wens uit dat met de toewijzing van de Olympische Spelen aan de Chinese hoofdstad er veel zou veranderen op het gebied van de mensenrechten. Het was een naïeve gedachte. De reactie van de Chinese delegatie destijds liet zich het beste karakteriseren als schouderophalend. Wat zou het grote, en inmiddels nog machtiger China zich aantrekken van westerse opvattingen over democratie en vrijheid van meningsuiting?

Het Europees Parlement keerde zich destijds tegen de aanwijzing van Peking. In deze krant gebruikte toenmalig Europarlementariër Van den Bos (D66) in 2001 argumenten die profetisch blijken te zijn geweest. „Het toevertrouwen van het prestigieuze evenement aan Peking”, schreef Van den Bos, „betekent een internationale legitimatie van het verderfelijke regime en versterkt eerder de positie van de heersers ten opzichte van hun slachtoffers.”

De reactie van het IOC op de toenemende kritiek op de toewijzing aan Peking varieerde het afgelopen jaar van geïrriteerd tot sussend, met de verzekering dat het in contacten met de Chinese autoriteiten achter de schermen wel degelijk opkwam voor de mensenrechten. Wellicht gaat het dan vooral om beeldschermen: door ingrijpen van het IOC deze week kregen buitenlandse journalisten in Peking alsnog toegang tot websites die het regiem onwelgevallig zijn, zij het nog steeds niet tot alle oppositionele internetadressen. De Chinese autoriteiten laten zich niet commanderen, constateerde de IOC-woordvoerder, met gevoel voor verhoudingen. Maar relativering is ook mogelijk, zoals de Chinese socioloog Isaac Mao vandaag in het maandblad M doet. Van de 230 miljoen internetters in China merkt hooguit 5 procent iets van de censuur, stelt hij. Het is goed om te beseffen dat bij veel meer Chinezen, die profiteren van de onstuimige economische groei, de trots op hun land overheerst.

Diverse westerse leiders nemen straks bij de openingsceremonie plaats in de schijnwerpers. Ook het IOC-lid Prins Willem-Alexander zal erbij zijn. De lastige vragen die het Kamerlid Van Bommel (SP) deze week stelde naar aanleiding van de internetcensuur, maakten echter opnieuw duidelijk dat de kroonprins op een wankele stoel zit. Hij maakt niet namens Nederland deel uit van het IOC en de olympische reglementen gebieden dat hij zonder last of ruggespraak opereert. Tegelijkertijd is de ministeriële verantwoordelijkheid op zijn doen en laten van toepassing. Aan deze gewrongen constructie kan maar beter een einde worden gemaakt.