Rogge

Jacques Rogge is aangekomen in Peking. De IOC-voorzitter zag er moe uit. Beetje vreugdeloos ook. Ik wou hem meteen een woud aan saunadoekjes toewerpen, en nog meer balsem voor de ziel.

Voor beroepsbobo’s zijn Olympische Spelen wat de kermis in Tilburg voor zwakbegaafde kinderen is. Ze weten niet meer of ze van voren of van achteren leven. Iedereen zijn eigen vuurwerk. Iedereen kanjer. Iedereen dalai lama. Maar Rogge is geen bobo. Juist niet. Hij heeft nooit gevraagd om in Peking te staan. Het presidentiële lot is hem overkomen.

Dan sta je daar toch te lijden.

Mensen als Hein Verbruggen en Erica Terpstra hebben geen last van predestinatie. Zij zijn hun eigen onvoltooide, in weer en wind. Graag ook nog in tegenspraak met de elementen. Hun enkeltjes gloeien van zelfbedachte heroïek. Rogge daarentegen is een schuchter mens. Chirurg met ontleende autoriteit aan het mes. Vlaming uit de provincie die nog onkruid heeft gewied tussen kasseien. Zeiler die weet dat er niets te doorklieven valt zonder eenzaamheid. Toch niet zonder sociaal isolement.

Ik weet nog toen hij door de Belgische koning in de adelstand werd verheven. Graaf Jacques Rogge. Met zijn vrouw en kinderen heeft hij die dag stiekem een glaasje gedronken, op de hoeve in Deinze. Gouverneurs, burgemeesters en andere notabelen hield hij halsstarrig buiten de deur. De televisie mocht langskomen om over sport te praten, niet om zijn schielijke noblesse te registreren. De graaf die beschaamd was om graaf te zijn. Alleen zijn toen ruim tachtigjarige moeder heeft een vliegticket naar de Winterspelen van Salt Lake City kunnen versieren in de koninklijke beëdiging. Verder wou hij niet weten van rumoer rond titels en erfelijke selecties. Alles aan Jacques Rogge is binnenkant.

En binnentaal.

Het zal hem moeite kosten om de Spelen in Peking te openen. Hij zal schuifelen in gang, woord en gebaar. Het voorhoofd nog net niet als een gapende wond, maar veel scheelt het niet. Zo er al een tremolo valt, dan zal het een gesmoorde klank zijn. Iets tussen kuch en kruk. Je zou het bijna Chinees gorgelen kunnen noemen.

Chinezerijen: de IOC-voorzitter weet er alles van. Nog voor de Spelen begonnen, is hij in het Westen al melaats verklaard. Te goedgelovig. Te zeer verbonden met het complex van nationalisme en commercie. Te weinig Tibetaan. Het laatste hoor je nooit over Hein Verbruggen, of over Willem-Alexander en Máxima.

Nee, Rogge is geen tapdanser op de dansvloer van Amnesty International. Dat kan hij zich niet permitteren. Moeten we hem dat kwalijk nemen? Dan mag Leo van Wijk van de KLM ook nooit meer naar China. Om van Jan Peter Balkenende maar te zwijgen. Aan de IOC-voorzitter wordt nu het onmogelijke gevraagd: én kampioen mensenrechten, én kampioen diplomatie, én kampioen schone lucht. Waar blijft eigenlijk de Dierenpartij van Marianne Thieme? Doen varkens ineens niet meer mee in het wereldwijde epistel van verontwaardiging?

Mensenrechten: Pieter van den Hoogenband ging er ook even over. Maar hoe zit het met Philips? Bij mijn weten heb ik de lampenboer uit Eindhoven nooit eerder gehoord over censuur. Wat zou PSV ooit aan mensenrechten hebben gedaan? De heren voetbalden gewoon over de dood heen. Mensenrechten in Eindhoven? Varkenspest!

Jacques Rogge is weerloos. Als geen ander weet hij dat sportresultaten nauw samenhangen met het bruto nationaal product van landen. Niet met mensenrechten. Sinds jaar en dag zijn Cubanen fervente medaillezoekers. Mag het? Of moet iedereen in de arena van sport en vermaak bloeden aan wereldpolitiek?

De IOC-voorzitter heeft de Spelen van München meegemaakt. Hij is gebleven. Als verklaring zei hij: „Ik kon het mijn ouders niet aandoen een offer van jaren weg te werpen op het altaar van politieke correctheid. Ik had een schuld te vereffenen.”

Goed of fout in de oorlog: in de sport werkt het zo niet. Niet bij Ajax, niet bij FC Groningen. Wat moet het paard van Anky van Grunsven met mensenrechten in China? Tenslotte hinnik je zoals je bent. Dat wil zeggen: gedoemd tot een medaille, ook nog onder de karwats van Sjef.

Je zult het Jacques Rogge nooit met zoveel woorden horen zeggen. Hij is, verbaal, een boeddhist. Met Kodak en Coca-Cola om zich heen, en tienduizend tv-zenders. Maar nu wel even hét gezicht van onze eindeloze moeheid en lafheid. Ik zou hem, dolgraag, één keer gratuit zien lachen.

    • Hugo Camps