Mannen zijn het zwakke geslacht, en vrouwen kiezen verstandiger

Laatst stond er in de file ineens een glimmend donkerblauwe verlengde Audi A8 naast me. Een directieauto, bedacht ik, met waarschijnlijk achterin iemand die het zo ver heeft gebracht dat hij ‘lid van de raad van bestuur’ op zijn kaartje mag zetten. Een van de benijdenswaardige olympische goden dus, die in hun ondoorgrondelijk beraad beschikken over het lot van ons stervelingen in het zompige laagland. Ik keek een beetje beschroomd opzij, want met goden moet je voorzichtig zijn, maar zag tot mijn verrassing niet een Apollo die met soevereine blik de baan van zijn zonnewagen verkende. Er zat een doodvermoeide man, bleek en grauw, met open mond slapend weggezakt in zijn hoek van de achterbank. Misschien snurkte hij er wel bij, maar dat hoorde dan alleen zijn chauffeur. Hoezo benijdenswaardig?

Met enige regelmaat krijgt mijn vrouw tuinclubs op bezoek. Dat zijn altijd gezelschappen van zo’n tien tot twintig dames, die elk de echtgenote zouden kunnen zijn van deze vermoeide topman. Meestal komen zij om een uur of tien ’s ochtends aan voor koffie met wat lekkers, waarna zij gezellig een rondgang maken langs de schoonheid van perken en borders. Aansluitend gaan zij dan door naar een landelijk etablissement voor een plezierige lunch. Ik zie die groepjes soms bij het raam van mijn werkkamer voorbijkomen, en voel me dan betrapt als er iemand indiscreet een blik naar binnen werpt. Als kleine zelfstandige heb ik het excuus dat ik thuis werk, maar echt gemakkelijk voel ik me er nooit bij. Ik weet het: wij mannen horen buitenshuis. Koffie, lekkers en bloemenperken op een doordeweekse dag, dat is voor dames. Er is ook nooit een man bij die tuinclubs.

De Canadese psychologe Susan Pinker heeft een prikkelend boek geschreven, dat in het Nederlands is verschenen als De Sekseparadox. De oorspronkelijke subtitel is Moeilijke jongens, slimme meiden en het echte verschil tussen de seksen. Pinker heeft het over een jarenlange waarneming in de psychologische praktijk, namelijk dat jongens in de schoolleeftijd vaak geweldig met zichzelf en met anderen in de knoop kunnen liggen en later toch briljante dingen in het leven gaan doen, terwijl anderen totaal mislukt in de goot terechtkomen. Meisjes op die leeftijd zijn de jongens in alle opzichten de baas. Ze leren beter en sneller, ze zijn aardiger en beter aangepast. Hoe komt het dan, vraagt Pinker, dat je ze later zelden tegenkomt op de echte topposities? Als onderdeel van haar antwoord citeert zij haar geestverwant Camille Paglia: er zijn geen vrouwelijke Mozarts, omdat er ook geen vrouwelijke Jack the Rippers zijn. Mannen zijn labieler en extremer. Zij komen vaker in gevaarlijke en stressvolle situaties terecht en zoeken die ook op. Denk aan olieplatforms, oorlogen en optiehandel, kartonnen dozen onder Seinebruggen en raden van bestuur. Meisjes zijn verstandiger en besluiten na verloop van tijd vaak dat zulk extreem gedoe meer kost dan het waard is.

Zo is een vriend van me onlangs gepensioneerd als hoogleraar kindergeneeskunde. Zijn vakgebied is de laatste decennia, net als veel andere, sterk gefeminiseerd. Talloze getalenteerde jonge vrouwen heeft hij zo opgeleid tot voortreffelijke kinderartsen. Maar zodra het aankomt op langdurig onderzoek, publiceren in vaktijdschriften en lang weg van huis om te netwerken op verre congressen, haken zij af. Dan kiezen ze voor een parttime rol in een groepspraktijk of geven het helemaal op. Als man van de wetenschap vindt hij dat zonde, voor het vak, om het verspilde talent en om de verloren investering van jaren opleiding. Maar hoe ziet het eruit door de ogen van deze jonge vrouwen zelf? Maken zij niet gewoon verstandige keuzes voor een beter en gelukkiger leven?

Laten we nou gewoon hardop zeggen wat iedereen die niet blind is kan zien, zegt Pinker. Vrouwen en mannen vinden verschillende dingen belangrijk en kiezen daarom anders. Vrouwen hebben ook meer te kiezen. Afhankelijk van hoe je het ziet is dat een lust of een last, een zegen of een vloek. Maar het beperkte aantal vrouwen in raden van bestuur is evenmin de uitkomst van een mannensamenzwering, zoals sommige militante en boze feministen suggereren, als het grote aantal mannen in strafgevangenissen.

Er doen nu voorstellen de ronde om minimumquota in te voeren voor vrouwen in topposities, zoals die in Noorwegen al bestaan. In die discussie was er al een vrouw die zich kandidaat stelde voor willekeurig welke raad van bestuur, en daar meteen de voorwaarde aan verbond dat zij en al haar aanstaande collega’s dat dan wel moesten doen op basis van vier dagen per week. Dat kan natuurlijk, net zo goed als mannen bij een tuinclub.

Alleen krijg je dan hetzelfde als wanneer een meisje zich met haar poppen meldt bij jongetjes die aan het oorlogje spelen zijn. Natuurlijk kan ze meedoen, zeker als mammie zegt dat het moet. Maar de jongetjes verliezen hun belangstelling en druipen een voor een af om iets anders te gaan doen. Muren bespuiten, autospiegels afbreken of andere rottigheid. Als er geen legitieme plekken overblijven waar ze jongetjesdingen kunnen doen samen met andere jongetjes, gaan ze dingen doen die niet mogen. In het grotemensenbestaan wordt dat de onderwereld, geweldpleging, vastgoedfraude, illegale chemicaliëndumping of beursmanipulatie.

Wij mannen zijn het zwakke geslacht, de gemankeerde soort. Als kind hebben we meer opvoedingsproblemen, we sterven jonger, en ertussenin zijn we giftiger, gedrevener en bezetener dan vrouwen. Het zal wel komen door dat onooglijke Y-chromosoompje dat we als een soort genetisch virus met ons meedragen.

Maar klagen doen we niet, daar houden we niet van. Vrouwen vinden dat zij wel mogen klagen, over hormonen die hun het leven zuur maken bijvoorbeeld. Zo ontstaat algauw de indruk dat zij de enigen zijn die het wel eens moeilijk hebben. Want mannen hoor je niet. Die zullen dus wel lekker zitten te feesten op hun Olympus.

Nergens is het de hele tijd leuk. Niet in de raad van bestuur, en zelfs niet bij de dames van de tuinclubs. Soms is het zelfs helemaal niet leuk. Dat is pech, of lotsbestemming. Doe ermee wat je kunt. Maar leg het niet bij een ander neer.

    • Johan Schaberg