Kinderen maken vergrijzing niet goedkoper

Op bevolkingspolitiek rust een politiek taboe, maar veel politici lijken te denken dat meer kinderen de lasten van vergrijzing kunnen verlichten. Economen denken van niet.

Meer ondersteuning van gezinnen. Dat is een van de belangrijkste winstpunten van zijn partij zei minister Rouvoet (ChristenUnie, Jeugd en Gezin) vorige week in een interview in deze krant. Kindertoeslag voor ouders met jonge kinderen, tot 77 euro per maand, is daar een voorbeeld van, net als hogere subsidie voor kinderopvang, oplopend tot honderden euro’s per maand.

De gezinsvriendelijke maatregelen stapelt het kabinet bovenop de ruim 12 miljard euro die de overheid jaarlijks al aan financiële voordelen aan gezinnen geeft. Tot dit bedrag tellen alle belastingvoordelen en subsidies voor mensen met kinderen op, volgens een recent overzicht van de OESO, de club van 30 industrielanden. Ter vergelijking: de overheid geeft jaarlijks ruim 10 miljard euro uit aan infrastructuur.

Het bevoordelen van mensen met kinderen dient volgens Rouvoet een breder doel. Het is meer dan het herverdelen van belastinggeld. De hele economie zou ervan profiteren, ook de Nederlander zonder kind. Want, zegt Rouvoet, „het kabinet wil de arbeidsdeelname vergroten, vooral voor vrouwen”. Zo zou de goedkopere kinderopvang het voor ouders makkelijker maken meer te werken. Meer werkende mensen betalen meer belastingen en premies. Zo zijn de hogere kosten van zorg en oudedagsvoorziening door de vergrijzing beter op te vangen.

Maar dat blijkt tegen te vallen. Het positieve effect van de kinderopvangsubsidie op het aantal gewerkte uren is volgens het Centraal Planbureau (CPB) minimaal. De belastingheffing die nodig is voor de subsidie doet de positieve effecten van meer werkende ouders grotendeels teniet. De kindertoeslag heeft zelfs een negatief effect op de beslissing om meer te werken, omdat de toeslag afneemt als mensen meer gaan verdienen. Langer doorwerken blijkt veel effectiever om de kosten van de vergrijzing op te vangen.

Dit is niet het hele verhaal achter de overheidssteun voor mensen met kinderen. Daar gaat nog een ander argument achter schuil dat vaak niet uitgesproken wordt: kinderen krijgen zou goed zijn voor de economie. Steun voor ouders met jonge kinderen is daarom gezond economisch beleid.

„De kosten van de vergrijzing dwingen Nederland tot nadenken over het aantal kinderen dat vrouwen hier ter wereld brengen”, zei Rouvoet eerder dit jaar in een geruchtmakend interview in De Pers. Tegenover de grote groep babyboomers die binnenkort met pensioen gaat, staat een slinkend aantal jongeren, zo is de angst.

De bevolkingskrimp zou nu goed te zien moeten zijn, want het gemiddeld kindertal ligt al dertig jaar rond de 1,8 [Zie inzet: ‘Afgelopen decennia veranderde kindertal nauwelijks’]. Dat is beneden de 2,1, het kindertal dat nodig is om de bevolking stabiel te houden.

Wat blijkt? De bevolking is de laatste dertig jaar alleen maar in omvang gegroeid. In 1980 woonden 14 miljoen mensen in Nederland, nu bijna 16,5 miljoen. Voorlopig is de groei er nog niet uit. In 2030 staat de teller op 17 miljoen volgens de jongste bevolkingsprognose. Rond het einde van deze eeuw verwacht het CBS een bevolking van 17,5 miljoen mensen.

Dat de bevolking doorgroeit, komt deels door het groeiende aantal bejaarden. Mensen leven langer: gemiddeld 71 jaar in 1950, 80 jaar nu. Maar zelfs zonder de groei in het aantal 60-plussers krimpt de bevolking niet. Het aantal Nederlanders tot 60 jaar is in 2030 volgens de CBS-prognoses gelijk aan dat in 1980. Daartussen zitten een lichte stijging en daling, maar van een neergaande trend op lange termijn is geen sprake.

Hetzelfde geldt het aantal kinderen. In Nederland leven nu 2 miljoen kinderen van tien jaar of jonger. Dat was in 1980 ook al zo. De komende jaren loopt volgens het CBS het totaal aantal kinderen iets terug, maar het blijft daarna zo goed als constant. Tot 2050 is er geen noemenswaardige verandering te verwachten.

Deze grote stabiliteit in het niet-bejaarde deel van de bevolking is maar voor een klein deel te danken aan immigratie. De autonome groei van de bevolking over de afgelopen dertig jaar overtreft de bijdrage van migratie met een factor drie. Bovendien wordt de immigratiefactor kleiner: de laatste jaren vertrekken meer mensen uit Nederland dan er binnenkomen.

Belangrijkste reden voor het uitblijven van bevolkingskrimp is de traagheid waarmee de bevolkingsopbouw verandert. Daar verkijken veel mensen zich op, zegt Gijs Beets, onderzoeker van demografisch onderzoeksinstituut NIDI. „De bevolking verandert van jaar op jaar maar heel langzaam. Neem de bevolkingspiramide voor je. Elk jaar vult de onderste balk zich met nieuwgeborenen, en gaat er bij de bovenste balken door sterfte iets af. Met verreweg de meeste mensen gebeurt in een jaar helemaal niets; zij worden alleen een jaartje ouder.” Omdat het kindertal van 1,8 niet zo ver onder het vervangingsniveau van 2,1 ligt, is de komende decennia weinig terug te zien van de gevolgen ervan op de omvang van de bevolking.

Het aantal kinderen mag stabiel zijn, maar zou een groter aantal kinderen niet welkom zijn in een tijd van vergrijzing? Het klinkt logisch, meer kinderen om de grijze golf op te vangen, maar dat is het niet, zegt Beets. „Kinderen kosten eerst alleen maar geld. Als ze over 25 jaar op de arbeidsmarkt komen, in 2033, is de vergrijzing al bijna voorbij.” Dan zijn de meeste babyboomers immers overleden.

Meer kinderen maakt het dus eerder moeilijker, niet makkelijker de vergrijzing te betalen. Het CPB heeft het al in de vergrijzingstudie van 2006 voorgerekend: 10 procent hoger gemiddeld kindertal leidt tot een vergroting van het overheidstekort van 0,2 procentpunt van het bruto binnenlands product. Dat is een negatief effect van ruim 1 miljard euro.

„Geboorte stimulerende maatregelen moeten als overmoedige en ongewenste beleidsinitiatieven worden betiteld”, schreef de Raad van Economisch Adviseurs (REA) – zes vooraanstaande economen – vorig jaar in een advies aan de Tweede Kamer. Het tijdelijk verdelingsprobleem van de vergrijzing – wie draagt de extra kosten van publieke pensioenen en zorg tot 2040 – is ook volgens de raad niet op te lossen met meer kinderen.

Maar de Tweede Kamer heeft de raad eind vorig jaar opgeheven – en het idee dat meer kinderen goed zijn voor de economie lijkt nog stevig verankerd in de hoofden van veel politici. Een typisch voorbeeld van wat de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith in zijn boek The Affluent Society „conventional wisdom” noemde: een idee dat algemene ingang heeft gevonden. Een dergelijk algemeen aanvaard idee verdwijnt alleen als het onwerkbaar blijkt, schreef Galbraith. „The enemy of the conventional wisdom is not ideas but the march of events.”

De REA doet een suggestie wat voor gebeurtenis het denken over het kindertal kan veranderen: een ondraaglijk hoge congestie- en milieudruk door de bevolkingsdichtheid. Als het druk is, maakt een persoon extra veel uit. Dat weten automobilisten in verstoppend verkeer en dat ervaren Nederlanders in dichtbevolkte gebieden als de Randstad. Het wordt nijpender: het autogebruik neemt toe, en mensen willen ruimer wonen.

Nu is het steunen van ouders met jonge kinderen nog een belangrijk beleidsdoel. Wat de redenen daarvoor ook zijn, argumenten dat dit beleid een directe bijdrage levert aan meer welvaart in Nederland zijn volgens economen niet steekhoudend. Financiële voordelen creëren voor mensen met kinderen is niet meer dan herverdelen van belastinggeld.

Lees het interview met Rouvoet op nrc.nl/economie