Kernwapens blijven een geliefd bezit

Kernmachten willen niet van hun kernwapens af en niet-kernmachten willen er juist aan. En tegenover die laatste groep staat het NPV machteloos, betoogt Bennett Ramberg.

Kernwapens blijven een geliefd bezit. Tekening Cyprian Koscielniak Koscielniak, Cyprian

Deze maand is het veertig jaar geleden dat vertegenwoordigers van meer dan vijftig landen zich in de oostelijke vleugel van het Witte Huis verzamelden om het Verdrag tegen de Verspreiding van Kernwapens (het ‘non-proliferatieverdrag’ of het NPV) te ondertekenen. In zijn memoires noemde de Amerikaanse president Lyndon B. Johnson het „de belangrijkste stap voorwaarts die we tot nu toe hebben gedaan om de kans op een kernoorlog te verkleinen”.

Is het akkoord een ‘historisch keerpunt’ geweest? Het bewijsmateriaal duidt erop dat zich serieuze lekken hebben voorgedaan, ook al zijn de dijken van het pact grotendeels intact gebleven. Deze lekken hebben zelfbenoemde nucleaire ‘waakhonden’ ertoe aangezet geweld te gebruiken wanneer zij menen dat diplomatieke inspanningen de verspreiding van de Bom niet zouden kunnen tegenhouden.

Of dit gedrag een voorbode is van wat ons in de toekomst te wachten staat, is onzeker. Toch blijft er wel een dreiging in de lucht hangen, gezien het onvermogen van het NPV om in een effectief afdwingingsmechanisme te voorzien.

Eén feit is boven iedere twijfel verheven: het NPV is de juridische spil van het nonproliferatieregiem, dat nu is ondertekend en geratificeerd door alle landen, op vier na – India, Pakistan, Israël en ‘drop-out’ Noord-Korea. De beginselen van het verdrag staan nog steeds overeind: de vijf erkende kernwapenstaten – de Verenigde Staten, Engeland, Frankrijk, Rusland en China – beloven hun kernwapenarsenalen te ontmantelen, en de andere partijen beloven het bezit van kernwapens af te zweren in ruil voor het recht om civiele kernenergie te mogen ontwikkelen met internationale hulp en onder bindende voorwaarden.

Hoewel het NPV niet geheel verantwoordelijk is voor het gegeven dat de tientallen kernwapenstaten die velen vreesden, geen werkelijkheid zijn geworden, heeft het verdrag wel tot een gedragsnorm geleid waaraan veel landen zich nog steeds houden. Niettemin is het akkoord er nooit in geslaagd zijn ontwapeningsdoelstelling te verwezenlijken. De vijf kernmachten bleven vasthouden aan hun kernwapens, en bewezen slechts lippendienst aan de vernietiging ervan. Verontrustender is dat een handvol niet-nucleaire ondertekenaars in het geheim de bepalingen van het verdrag hebben geschonden. Toen ze uiteindelijk werden ontmaskerd, was de onmacht van het NPV manifest.

Zes gevallen markeren het ernstigste bedrog. Irak heeft zich tweemaal aan het internationale toezicht onttrokken. Eerst bouwde het land een kernreactor in Osirak en weigerde het de inspecteurs volledig inzicht te geven in de activiteiten. Ook kon het niet overtuigend aantonen dat de reactor niet zou worden gebruikt voor de productie van plutonium voor kernwapens. Een tweede schending van het verdrag deed zich voor toen het land bijna zijn geheime verrijkingsprogramma voltooide, voorafgaand aan de Golfoorlog van 1991.

Noord-Korea had meer succes en werd het achtste land dat ooit een kernwapen tot ontploffing bracht.

Tenminste twee andere partijen bij het non-proliferatieverdrag – Libië en Syrië – hebben zich schuldig gemaakt aan ontduiking van de bepalingen, maar zagen hun inspanningen falen. En dan is daar nog Iran.

Even verontrustend was het onvermogen van de VN-organisatie IAEA (International Atomic Energy Agency) om via controles schendingen van het verdrag op het spoor te komen. Slechts in één geval, dat van Noord-Korea, slaagde het IAEA daar wel in. In Iran was het een groep dissidenten, niet het IAEA, dat aan de bel trok.

Het gebrek aan vertrouwen in de mogelijkheid om naleving van het verdrag af te dwingen heeft geleid tot drie gevallen van militair ingrijpen: de aanval van Israël op de kernreactor van Osirak in 1981, de Israëlische aanval op een verdachte locatie in Syrië in 2007, en de Amerikaanse inval in Irak van 2003. Gemengde resultaten waren het gevolg. De verwoesting van Osirak motiveerde Saddam om het opnieuw te proberen. De Verenigde Staten raakten in Irak in een moeras. En voorlopig lijkt Israël een potentiële dreiging van Syrische kant te hebben geëlimineerd.

Voor de joodse staat hielden de militaire acties tevens een andere les in: een ‘nucleaire waakhond’ kan straffeloos geweld gebruiken. Er volgde nooit een vergelding. In andere gevallen, waarin landen dezelfde aanpak overwogen, werd niet zo doortastend opgetreden. De Sovjet-Unie, de VS, Egypte en India meenden dat het beter is met een nucleair bewapend China, Noord-Korea, Israël en Pakistan te leren leven dan een (kern-)oorlog te riskeren.

Door politieke verdeeldheid tussen de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad is dit gremium niet in staat naleving van het NPV af te dwingen.

Hierdoor resteren er maar twee mogelijkheden om de doelstellingen van het NPV te schragen. In de eerste plaats ‘ad hoc’-diplomatie, die erin is geslaagd het kernwapenprogramma van Libië een halt toe te roepen en de Noord-Koreaanse reactor voor de productie van kernwapens tot sluiten te dwingen.

Maar diplomatie kost tijd – veel tijd – en er is geen enkele garantie op succes. Voor staten – zoals Israël in het geval van Iran – die geloven dat die tijd een levensgevaarlijke tegenstander alleen maar meer kansen zal verschaffen om de Bom in handen te krijgen, blijft militair ingrijpen als enige optie over.

Bennett Ramberg was in dienst van het Bureau of Politico-Military Affairs onder de regering van George H.W. Bush. Hij is de auteur van diverse boeken over internationale veiligheid.