Elke foto heeft een keerzijde

Wat maakt de papieren foto bijzonder? De achterkant. Dirk van Weelden over foto’s uit het Spaarnestad Photo-archief, die deze maand inclusief achterkant geëxposeerd worden. In de krabbels en stempels achter op de foto’s ontdek je een grotere en rijkere wereld.

Volgende pagina: Gevangen gorilla, 1938 Spaarnestad

Een stille dag, rimpelloos water. Deze foto aan de waterkant lijkt haastig gemaakt. De horizon ligt namelijk net uit het lood. In wat eruit ziet als de uiterwaarden van een brede rivier, tussen rietpollen en waterlelies, steken twee handen boven het wateroppervlak uit. Vanaf de polsen zijn ze te zien, de gespiegelde anatomie, als beeld weerspiegeld in het water. Het is een vredig gezicht; de verlaten rivier, de waterlelies, de drijvende bladeren, het riet en dan die handen die niet gebaren. Er alleen maar zijn, de handpalmen open. De bezitter van de handen houdt zich roerloos, daar onder water, kijk maar naar het water rond de polsen. Het zijn mannenhanden en aan de linkerringvinger prijkt een flinke ring. Afgaande op de vormen, de lijnen en vouwen, zou je kunnen vermoeden dat het een buitenmens is, die hier zijn handen boven het water uitsteekt. Geen geleerde of klerk, geen winkelbediende of politicus. Stevige, sterke handen.

Een beeld kun je niet omdraaien, maar een foto heeft een keerzijde. En dit is behalve een beeld ook een voorwerp, om precies te zijn een fotografische afdruk op kartondik papier. Aan de rugzijde daarvan zien we stempels en potloodlijnen. Een in groene inkt gestempelde datum: 14 dec. 1957. In rood is de herkomst te lezen: Photos MATCH, Rue Pierre-Charron, Paris-8e. En ook hoe hij in Haarlem gekomen is. ‘Gekocht voor NEDERLAND’, staat er met vage groene stempelletters. En even verderop: Foto-Archief N.V. Drukkerij De Spaarnestad Haarlem.

Met een liniaal en een potlood heeft de persklaarmaker een rechthoek getekend die ongeveer een derde van het totale oppervlak van de foto beslaat. Ook die hangt uit het lood en als je de foto nog eens omdraait begrijp je het: in het tijdschrift waar deze foto werd afgedrukt zou je een keurig rechte horizon zien, en precies dat fragment van de waterpartij waaruit de handen staken. De rest wordt door middel van grove golvende lijnen aangeduid als ‘buiten kader’. Met hetzelfde potlood staat wat lager in het Nederlands geschreven: ‘Twee handen staan roerloos boven de waterspiegel. Ze behoren toe aan de Issa Koi, die bezig (...) vis te worden.’ Een zin die waarschijnlijk een voorstudie is van het onderschrift dat de foto zou begeleiden.

De naam van de fotograaf is niet te vinden. Dit is geen poging tot artistieke fotografie, maar verslaglegging van een exotische praktijk. Ergens ver weg, veronderstel je als kijker, is een volk waarbij het niet ongebruikelijk is dat iemand op deze manier bezig is vis te worden. De overgave en ernst die daarvoor nodig zijn vallen aan de foto wel af te lezen. Maar hoe moet je je dat voorstellen, vis-worden? Is het een magisch ritueel of een grap? Wat verwacht iemand van vis-worden? En was het niet beter geweest de visman onder water te fotograferen?

Alles aan het beeld vergroot eigenlijk het raadsel van het vis-worden. En de informatie op de achterkant vergroot het raadsel dat het beeld is. Het resultaat is een verbluffend voorwerp. Al gauw stel ik me het gezicht voor van de man die daar onder water zit en voel ik een aan liefde grenzende sympathie voor zijn geheimzinnige verlangen een vis te worden. Ik stel me het moment voor waarop de fotograaf van Match vroeg of hij een foto mocht maken en ze samen naar de waterkant liepen. Ik zie de jongen voor me aan een keukentafel op het Brabantse platteland in 1958, die in zijn grofgebreide trui bij een kop thee en een paar Mariabiscuits door de Katholieke Illustratie bladert en die stille open handen ziet, het onderschrift leest, even opkijkt naar buiten, naar de sloot voor het huis en dit beeld nooit meer vergeet, omdat hij het idee heeft door de wijde wereld te zijn aangeraakt.

De foto’s die in het archief van Spaarnestad Photo zitten vertegenwoordigen voor het merendeel een verdwenen beeldcultuur. Allereerst in technisch en praktisch opzicht. Uitgeverijen werken niet meer met een fotoarchief bestaande uit een zaal vol stalen ordnerkasten waarin hangmappen met fotografische afdrukken, geordend op onderwerp. Fotografen sturen als freelancer hun beelden digitaal naar de redactie. Als er een archief is dan is dat op een harde schijf bij de fotograaf thuis.

Misschien is er een eenentwintigste-eeuwse blik voor nodig om de poëzie te zien en te waarderen die deze nieuws- en reportagefotografie oproept in combinatie met de krabbels, stempels en zinnen op de keerzijdes van de afdrukken. Een snel en intuïtief werkende mediagevoeligheid, die niet alleen de beelden en de gegevens in zich opneemt, maar ook razendsnel de context, de praktijk, de sfeer en de beleving die erbij horen in de waarneming betrekt. Je zou het een empathie kunnen noemen voor het proces waarin het beeld ontstaat, leeft en werd geconsumeerd.

Kijken als groep

Ik noem het ontzag voor de camera, voor het plechtige moment waarop de werkelijkheid wordt vastgelegd en ‘geschiedenis’ kan worden. Maar het ontzag geldt niet alleen het fotografische procedé en de publicatie van het beeld. Wat ook sterk meespeelt is de eerbied voor het gezag van de hoge heren en autoriteiten wier cultuur en macht de fotograaf en het blad vertegenwoordigden. Dit zijn foto’s uit een tijdperk waarin het publiek nog onbevangen om niet te zeggen goedgelovig omging met de media. Wij weten tegenwoordig wel beter. Wij zijn gek op beelden, en vaak genoeg gek van beelden. Maar ontzag voor beelden hebben we niet meer.

Ons ontzag is verkruimeld. We kunnen onszelf en elkaar afbeelden als moordzuchtige monsters. Voor de lol of om elkaar zwart te maken. Bovendien weten we uit eigen ervaring hoe kneedbaar de beelden en verhalen in de media zijn. Het is wel een soort werkelijkheid, maar we gaan ervan uit dat de echtheid ervan een onzekere zaak blijft, omdat het een realiteit is die door mensen en hun beeldmachines wordt bewerkt, ‘opgevoerd’. Het meest schrikbarende voorbeeld daarvan is de foto uit de Abu Graib gevangenis. Hoeveel van de gruwelijkheden die we daarop zien zijn het gevolg van het fotografisch enthousiasme van de betrokkenen, die ‘heftige’ foto’s wilden maken en rondsturen?

Soms kun je in deze oude foto’s uit het archief van Spaarnestad Photo dat oude ontzag voor camera en publiciteit zelfs zien op de gezichten van de gefotografeerden. Neem nu deze ontroerende foto uit 1933. Het moet een oeroude stadspoort zijn, waarvoor zich een groep mensen heeft geposteerd. De weg waarop ze zitten is een beetje komvormig, de kasseien zijn zo moe geworden van al het verkeer dat ze in het midden van de weg zijn weggezakt. Het is koud en regenachtig weer. Veel vrouwen, de oudste vooraan, gewapend met capes en paraplu’s. Aan de randen en achteraan staan een paar mannen. Ernstig, besnord. Sommigen bevroren door het besef van de camera, anderen bedrukt en op hun hoede. Mutsen en doeken, sjaals en alpinopetten, je ziet dat het verblijf daar in de straat lang duurt en geen pretje moet zijn. Deze mensen zitten te wachten, zo lijkt het. Hun verwachting is bijna plastisch in de foto, hij staat als een glazige bol voor hen op de natte kasseien. De atmosfeer lijkt gedragen door een verwachting, iets van hoop, maar wat overheerst is toch triestigheid.

Achterop de foto is te zien dat het een uit België afkomstige foto is, gemaakt voor de Katholieke Illustratie. Op het karton van de foto zelf is een vierkant stukje papier geplakt dat met een schrijfmachine is beschreven. De tekst is in het Frans gesteld en luidt:

‘Het wonder van Beauraing. Men weet dat de Maagd met regelmaat verschijnt aan vijf kinderen uit dit dorp, gelegen bij Dinant. Vandaag, 3 januari, gonsde het in het land, want, het leek erop dat de Maagd om zeven uur ’s avonds aan de kinderen zou moeten verschijnen en tegen ieder van hen ging spreken voor de laatste keer. En zo zaten gelovigen en ongelovigen vanaf 10 uur in de ochtend onder een koude regen op klapstoelen te wachten tot het uur van het wonder.’

De gelatenheid en waardigheid waarmee deze mensen zitten te wachten op een wonder, een hele nare januaridag lang in de crisisjaren in Wallonië, zijn door de twee zijden van deze fotoafdruk bijna tastbaar dichtbij. Voor hedendaagse ogen is het een vreemd gezicht, die grote afstand tussen fotograaf en doodkalme menigte; die natte leegte die vervreemding oproept, maar die ook de verklaring van de hele gebeurtenis verbeeldt: het pure geloof in de uitblijvende komst van een bovennatuurlijk wezen. En laat nou precies op de plek waar straks de Maagd hoort te verschijnen die man met zijn camera staan.

Drie foto’s

Je kunt je afvragen hoe de uitzinnige, overrompelende en snelle beeldcultuur van nu onze kijk op dit archief kleurt. Lijkt alles zoveel rauwer, lichamelijker en dus ‘echter’ door onze gewenning aan gelikte, gekleurde, flatteuze en bijgewerkte beelden? Of speelt er ook nostalgie mee, omdat we ons warmen aan een idealiserend beeld van een wereld en een tijd die we ons voorstellen als overzichtelijker en eerlijker? Ik geloof dat het medium van de fotografie zoals het hier door meestal kundige fotografen gebruikt is, een vrij serieus en ordelijk beeld van de wereld wil geven. Klassieke zwart-wit foto’s, wars van artistieke experimenten, gemaakt volgens geruststellende compositorische regels. Je ziet het zelfvertrouwen van het onderliggende wereldbeeld. Maar de foto’s die het sterkste kunnen raken hebben een verre van rustgevende en troostende werking.

De beste foto’s uit dit archief voldoen weliswaar helemaal aan de geruststellende beeldtaal van het verleden, maar bieden voor onze hedendaagse ogen een enorme hoop informatie die buiten de kaders en bedoelingen van de makers van de tijdschriften valt waarin ze werden gepubliceerd. Deels komt dat door de luxe van het ‘achteraf’ (wij weten hoe de geschiedenis verder is gegaan), deels is het onze mediagevoeligheid, die maakt dat we door het beelddialect van toen kunnen heenkijken.

Twee voorbeelden uit deze reeks van foto’s en hun keerzijde wil ik noemen. De eerste foto toont vijf mannen, opgehangen aan een lange, uit een enkele dwarsbalk gemaakte galg. Ze zijn jong en hun handen zijn ongeboeid. Het is bijna alsof ze er vrijwillig zijn gaan hangen. Nergens is een verwijzing naar geweld, wapens of oorlog. Eentje van hen draagt een jas. De anderen een trui en een broek. Het is niet moeilijk te raden dat het om een foto van het Oostfront uit de Tweede Wereldoorlog gaat. Uniformen dragen de doden niet, het zullen boerenjongens of partizanen zijn.

Op het eerste gezicht is het een macabere oorlogsfoto, zoals je die wel vaker hebt gezien. Totdat je hem omdraait. Er staan stempels op van het Spaarnestad Archief, en codes en trefwoorden die vertellen dat de foto moet worden opgeborgen bij de WOII-foto’s. Maar een datum is niet te vinden en dit lijkt ook geen product van de Propaganda Kompagnie. Over de herkomst staat een enkele in het Duits met een vulpen geschreven zin. ‘Aufnahmen, die bei einem gefallenen Deutschen Soldaten gefunden wurden.’

Allemachtig! Zou dit stuk fotopapier, dat dus uiteindelijk in de hangmapkast in Haarlem terechtkwam, in de binnenzak van een Duitse frontsoldaat gezeten hebben? Of vond men negatieven? Een camera met de film er nog in? Nog veel vreemder is de vraag wat de soldaat bezielde. Waarom nam hij die foto, als hij geen oorlogsverslaggever was? Wat wilde hij met dat beeld van een oorlogsmisdaad gaan doen? Trots laten zien? Was het een souvenir van een bijzondere dag? En wie heeft de kleren of spullen van de dode Duitse soldaat doorzocht en deze foto meegenomen? Dat moet een kameraad geweest zijn. Misschien wel een Nederlandse SS’er. Wie heeft die Duitse zin op de achterkant geschreven? Is deze foto gepubliceerd in een Nederlands tijdschrift tijdens de oorlog? Met welk verhaal erbij dan in vredesnaam? Er opent zich kortom een afgrond rondom dit kleine papieren voorwerp. Wie kan dit vasthouden of zelfs maar bekijken zonder kippenvel? Hier doet de historische sensatie pijn.

De derde en laatste combinatie van foto en keerzijde is ook genomen in de Tweede Wereldoorlog. Het is de eerste april 1945. Goedgekeurd door censor no. 402579. Volksturm, brandweer en schuilkelderpersoneel, heet het, afgevoerd door de straten van een voorstad van Duisburg. ‘Among the prisoners was xxxxxxx a girl’. Geschreven op een schrijfmachine met rood lint. De xxx-en geven een doorgehaald woord aan van zeven letters. Wat stond daar? Wat heeft de schrijver ingeslikt?

We zien een groepje mensen naar links lopen. Sommigen in uniform. Duitse legeruniformen. Maar anderen dragen burgerkleding. Het is een haveloos troepje dat zich zichtbaar flink houdt onder de overduidelijke nederlaag. De uitdrukkingen variëren van verbitterd, boos afgewend tot fatalistisch glimlachend. Midden in het groepje voorbij marcherende gevangenen loopt een jong meisje. Ze heeft halflang blond haar en zal ongeveer vijftien zijn. Mager, de trui en de broek slobberen om haar lijf. Ook haar gezicht is mager. Ze loopt recht en ontspannen tussen de laatste resten van het verslagen regime in.

De hele foto draait om het licht dat haar bleke blonde hoofd vangt. En om haar ogen en mond. Ze kijkt schuin opzij, pal in de lens. Naar de fotograaf, en haar gezicht staat ronduit uitdagend. Om haar brede mond speelt een voorzichtige glimlach. Zij heeft weinig van een verbeten meid uit de Hitlerjugend. Haar ogen verraden geen vermoeidheid, teleurstelling of woede. Het zijn niet de ogen van een verslagene. Het is eerder of ze zich heimelijk boven de situatie verheven voelt en in de fotograaf iemand zoekt om een blik van verstandhouding mee te wisselen. Er gaat een grote kracht van haar uit, zo volgzaam en mager ze daar ook tussen de vermoeide en verfomfaaide mannen in loopt. Het heeft zelfs iets shockerends, omdat haar lef zo onwaarschijnlijk is. Ze ontkent heel Duisburg, haar krijgsgevangenschap, de hele rampzalige oorlog. Ze flirt, maar op een onmogelijk moment. Wat een prachtige kop.

Behalve dat ik de enorme veerkracht, ja de amorele levenslust van de jeugd in haar volle pracht zie, lijkt het beeld ook te herinneren aan het feit dat een oorlog, die voorbij is, weliswaar collectief bestaat in de vorm van geschiedschrijving, documenten, archieven en debatten in de openbaarheid, maar toch vooral in de herinnering van individuen. In de levenservaring van personen. Hoe herinnert dit meisje zich als vrouw de oorlog? Weet ze nog hoe geweldig stoer ze het vond om tussen de mannen door de straat te marcheren, ook al waren ze dan krijgsgevangen? Zou ze later, in een modern ingerichte huiskamer ergens in het Wirtschaftswunder van de jaren zestig, vertellen dat de nederlaag haar koud liet, zelfs wel plezier deed, omdat er tenminste schoon schip gemaakt werd? Zo kijkt ze namelijk. Als iemand die zich bewust is van een verborgen kracht, die zich eindelijk, nadat het puin geruimd is, zal manifesteren.

De flirtende blik van dit meisje, haar koele stoere glimlach is zestig jaar na dato nog levend en scherp. De woorden ‘Volksturm’, ‘Duisburg’ en ‘being marched’ roepen de geluiden, geuren en een besef van rampzalige verwoesting op. Maar in een flits kun je iets prachtigs en wonderlijks zien: dat, ook al ontsnapt niemand aan de geschiedenis, een mensenleven groter en rijker is dan de omstandigheden waaronder het geleefd wordt. Iets vergelijkbaars geldt voor deze foto’s; ieder beeld is de façade van een wereld die groter en rijker is dan het archief van Spaarnestad Photo. En het spoorzoeken naar die werelden begint op de achterkanten van de foto’s.

Dirk van Weelden(1957) is filosoof en schrijver. De fotoselectie deed hij samen met fotograaf/kunstenaar Rob Moorees (1950).

Expositie Spaarnestad Photo ‘The front and reverse side of photos’, in de LUX Photo Gallery, gebouw het Sieraad, Postjesweg 1, Amsterdam. Opening op vrijdag 22 augustus 17.00 uur, met lezing door Dirk van Weelden. Voor informatie zie www.luxphotogallery.com

    • Dirk van Weelden