DRAAIDEURCRIMI NEELTJES IN DEEG

Voor het eerst zijn ongepubliceerde tekeningen van Wilhelm Busch, de schepper van Max en Moritz, opgedoken in een Duits uitgeversarchief. 145 jaar zaten ze ongebruikt in een enveloppe. M publiceert, exclusief voor Nederland, de potloodtekeningen, voorstudies van Max en Moritz.

Busch, Wilhelm

Het is natuurlijk een droomvondst, midden in het al enigszins wegebbende Wilhelm Busch-herdenkingsjaar. De schepper van Duitslands meest gelezen kinderboek, over de twee negentiende-eeuwse Duitse draaideurcrimineeltjes Max en Moritz, Wilhelm Busch is dit jaar honderd jaar geleden gestorven.

Begin dit jaar kreeg die herdenking nog wel wat aandacht, met de publicatie van een nieuwe biografie over Busch met de veelzeggende titel Wilhelm Busch, Der lachende Pessimist (zie noot bij dit artikel). En een tentoonstelling in het Wilhelm Busch Museum in Hannover. En natuurlijk verschillende heruitgaven van Max und Moritz, Ein Bubengeschichte in sieben Streiche, een kwajongensverhaal in zeven streken. Maar daarmee leek het voorbij met de aandacht voor Busch.

Tot deze zomer, in juni, precies halverwege het Wilhelm Busch-jaar het nieuws kwam dat in de archieven van de oude uitgeverij en drukkerij Seidel in het stadje Sulzbach-Rosenberg (niet ver van Neurenberg) een envelop was gevonden met onbekende, nooit gepubliceerde tekeningen van Busch. Titel van het tien plaatjes tellende verhaal zonder tekst, op de envelop in het handschrift van Busch: Der Kuchenteig – het zoete deeg. Het was internationaal nieuws.

Alleen: alle plaatjes werden niet voor publicatie vrijgegeven. Die worden door de uitbater van het uitgeversarchief mondjesmaat uitgevent. Het maandblad M kreeg voor Nederland de exclusieve eerste publicatierechten.

Vandaar dat het hele onbekende Wilhelm Busch stripje hierbij volledig is afgedrukt.

Snoeplustig ventje

We zien een snoeplustig ventje met een spits kuifje, dat schoon zijn moeder het hem verbood, toch gaat snoepen uit een grote kuip vol zoet deeg. Hij klimt op stoel om er goed bij te kunnen, maar kukelt door zijn gulzigheid naar voren, midden in de bak vol met deeg. Als een soort levende grote ongebakken deegsliert komt hij er weer uit te voorschijn en loopt verdwaasd en verblind door het deeg rond. Tot zijn geschrokken ouders komen en hem met moeite van alle plakkerige deeg ontdoen. Als moeder de deugniet schoon geschrobd heeft, geeft vader hem nog even een pak slaag met de stok. Zo komen snoepers te pas in dit beeldverhaaltje.

Het is, in het licht van wat nog komen gaat, een mild lot voor de zondaar, in het universum van Busch.

Deze tien potloodtekeningen van elk ongeveer vier bij tien centimeter dateren volgens de ontdekker, stadsarchivaris Johann Hartmann in Sulzbach-Rosenberg, uit 1863. Waarschijnlijk heeft Busch ze via een tussenpersoon aan uitgeverij Seidel aangeboden, als ontwerp voor een strip op een kalender. Seidel publiceerde populaire geïllustreerde kalenders. Volgens de correspondentie die ook gevonden werd (niet van Busch persoonlijk, maar van de uitgever en tussenpersoon) wilde de tekenaar vijftig gulden voor het stripje hebben.

Waarom de tekeningen nooit zijn gebruikt, waarom Busch ze niet teruggevraagd heeft – het is na 145 jaar nog steeds een raadsel.

Mislukt schilder

Over de periode waarin Busch deze tekeningen maakte is wel meer bekend. Hij is dan 31, en staat aan het begin aan wat zijn grote carrière zal worden: tekenaar en dichter van boeken met humoristische beeldverhalen voor kinderen en volwassenen.

Hij is dan eigenlijk mislukt als kunstschilder. Zijn vader wilde dat hij ingenieur werd, maar na een korte technische studie in Hannover volgt de jonge Wilhelm zijn artistieke roeping. Hij bezoekt kunstacademies in Antwerpen en München. Maar het schilderen dat hem daar aangeleerd wordt vindt hij te stijf. En het niveau van door hem bewonderde schilders als Frans Hals haalt hij toch nooit: liever zit hij met zijn artistieke vrienden in München in de cafés om grappen te maken en te tekenen, en toneel te spelen. Hij krijgt als karikaturist een baantje bij het Münchense satirische blad Fliegende Blätter, in 1858. Vol plezier tekent hij daarvoor.

Hij maakt veel beeldverhalen met wrange, wrede humor, zoals de twee jongens die de oude Griekse wijsgeer Diogenes in zijn ton willen pesten, maar dan zelf onder de rollende ton geplet worden, en plat als een pannekoek eindigen. Busch kan in die krantenstrips zijn boosaardige humor kwijt.

Hij ridiculiseert ook de moralistische aanpak van zijn tijd: in zijn beeldverhalen is de straf voor ondeugende streken of zonden van jong en oud meestal zo buitensporig groot – dood, verbrand, tot een plasje gesmolten – dat die lachwekkend werkt. En niet eerbiedig opvoedend.

Maar het werk voor Fliegende Blätter is hem niet genoeg – artistiek en financieel niet.

Busch wil meer. Hij wil iets blijvenders maken. Boeken. Als liefhebber van oude sprookjes en volksverhalen uit zijn geboortedorp Wiedensahl bij Hannover wil hij kluchten in beeld brengen en in boekvorm uitgeven. Hij tekent rond 1863 een paar beeldverhalen, die als Bilderpossen (getekende grappen, poetsen) uitgegeven worden in 1864. Beroemd is het verhaal Eispeter, de eigenwijze jongen die uit schaatsen gaat bij extreme koude, en bevroren teruggevonden wordt. Als zijn ouders hem thuisgekomen proberen op te warmen smelt hij tot een plasje. Dat vocht bewaren zij ouders in de kelder in een pot, waarop Peter staat, tussen de kaas en de ingemaakte augurken.

Het boek heeft dan weinig succes. In dezelfde tijd tekent hij ook de strip voor de kalender die nu boven water is gekomen. En hij begint aan een tweede ambitieus boekenproject, een nieuw getekend verhaal over kwajongensstreken: Max und Moritz, dat in 1865 verschijnt. Dat wordt wel een succes.

Vergelijking

Het is de moeite waard om de Kuchenteig-strip te vergelijken met de deegepisode uit het Max en Moritz-verhaal.

Het Max en Moritz-verhaal is, zoals Gudrun Schury in haar vorig jaar verschenen Busch-biografie Ich wollt, ich wär ein Eskimo, opgebouwd volgens klassieke vertelschema’s zoals die bijvoorbeeld ook in het libretto van de opera Don Giovanni te vinden zijn.

Eerst wordt kort opgesomd wat voor schanddaden de hoofdpersoon allemaal op zijn kerfstok heeft, daarna wordt als hoofdbestanddeel scène na scène het bewijs voor al die schanddaden geleverd, en tot slot ontloopt de schuldige zijn verdiende loon niet.

Zeven streken van de kwajongen Max en Moritz toont Busch ons. De streek waarin ze er als ongebakken deegslierten uitzien, zoals ook in het Kuchenteig-stripje, is de zesde kwajongensstreek.

Wat overigens meteen al opvalt is het verschil in sfeer tussen het Kuchenteig-stripje en Max en Moritz. Het Kuchenteig-mannetje is eigenlijk alleen onschuldig gulzig. Maar bij Max en Moritz lijkt het kwaad verdubbeld: zij zijn zeker niet onschuldig, ze zijn boosaardig.

Belust op zoete lekkernijen, breken Max en Moritz via de schoorsteen in bij een bakker. Eerst glijden ze zwart als roet uit de schoorsteen, dan vallen ze in de kist met meel en stappen er krijtwit gestoven uit. Ze zien lekkere krakelingen op een plank liggen. Ze klimmen op een stoel om er bij te kunnen, maar de stoel breekt – ‘Knacks!! - Da bricht der Stuhl entzwei’ – en de twee vallen in een bak met deeg. ‘Ganz von Kuchenteig umhüllt/ Stehn sie da als Jammerbild’ – Geheel door deeg omhult, staan ze daar als toonbeeld van ellende, dicht Wilhelm Busch bij zijn tekening van de druipende deugnieten. De bakker komt binnen en grijpt de beide boefjes. Hij duwt ze in de hete oven, waar hij ze lekker laat bakken tot ze een knapperig bruin korstje hebben. Niet dat dat Max en Moritz deert. Ze knabbelen zich door de koekkorst heen en vluchten – om aan een nieuwe streek te beginnen. Hun laatste, zal blijken. Want in de zevende, laatste streek snijden Max en Moritz de graanzakken van een boer open, om hem te pesten. Dan hebben ze al, om het beeld even compleet te maken:

1) de kippen van weduwe Bolte in hun dorp opgehangen, 2) die kippen, gebraden door de weduwe, gestolen en opgegeten, 3) de kleermaker Böck in het water laten vallen, 4) de pijp van hun schoolmeester vol buskruit gestopt zodat die explodeert in zijn gezicht, en 5) kevers in het bed van hun oom Fritz gestopt. De boer met de kapot gesneden graanzak is het zat, al deze boevenstreken, en brengt beide jongens naar de molenaar. Die gooit ze in de molentrechter, zodat ze vermalen worden tot kleine stukjes vogelvoer. En de vette eenden van de molenaar eten met smaak de jongenskorrels, voorheen Max en Moritz. Zo komen snoepers te pas in de wereld van Wilhelm Busch.

Als Max en Moritz dan zo aan hun eind gekomen zijn, blijkt uit het slot, dat men in het dorp geen traan laat om de dood van deze twee kwajongens: ‘Gott sei Dank! Nun ist’s vorbei/ Mit der Übeltäterei’ (Godzijdank, nu is het uit met die kwaadaardigheden).

Overigens was de kritiek op Busch’ Max und Moritz-verhaal na verschijnen niet van de lucht – hij zou met zijn boosaardige grappen en de ongeloofwaardige straffen daarvoor de jeugd maar bederven. Ongeveer zoals televisieclips en computerspellen, waarin ook veel gulzigheid en wreedheden geëtaleerd worden, de jeugd zouden bederven. Busch zou het ook later, met een beeldverhaal voor volwassenen, nog aan de stok krijgen met kritische zedenmeesters: in zijn strip Der Heilige Antonius von Padua (1870) vraagt hij zich af waarom een varken niet de hemel in mag. Het boek werd op de dag van verschijnen in beslag genomen, maar mocht later van de rechter toch verspreid worden. Hij zag er geen godslastering in.

De Kuchenteig-strip is min of meer een vingeroefening voor Max en Moritz, althans de deegscène.

Het laat al beeldvondsten zien – de volledig in deeg gehulde mensfiguur, inclusief haarlok in deegvorm – die ook, verdubbeld, in Max en Moritz terugkomen.

Wat opvalt is ook de losse, trefzekere tekenstijl van Busch. Hij tekende alles met potlood, zeker in zijn beginjaren, omdat het drukprocedé voor zulke prenten, zowel in de krant als in boekvorm, nog uit houtdrukken bestond.

Busch moest deze schetsen, zoals de hier getoonde Kuchenteig-strip, in spiegelbeeld op houtblokken tekenen. Houtblok-snijders staken dan alle niet betekende delen weg.

Busch bekreunde zich altijd over de kwaliteit van de houtsnijders – let vooral op de uitdrukking van de ogen en de mond, liet hij zijn uitgevers weten. Het was duur om een houtblok opnieuw te laten snijden, dus het moest in een keer goed. Op deze Kuchenteig-tekeningen is goed te zien hoe trefzeker en grappig hij de gezichtsuitdrukking van de figuren tekende.

En hoe kwam Busch bij dit deegverhaal? In het Wilhelm Busch Museum in Hannover wordt een bron voor de deegepisode uit Busch jeugd opgevoerd: in zijn jeugdjaren had Busch zich, samen met een vriendje, met modder ingesmeerd bij de rivier. Ze hadden zich laten bakken in de zon, tot ze een korstje als van deeg hadden.

- Lees Jan Blokker over Wilhelm Busch op de boekensite van deze krant: www.nrcboeken.nl/recensie/de-barbaarse-woede-van-een-milde-ziel- Bezoek het Wilhelm Busch Museum in Hannover in de Georgengarten, waar tot 9 november de expositie ‘Wilhelm Busch – erotisch, komisch, gnadenlos’ is en tot 24 augustus een schilderijenexpositie van hem: www.wilhelm-busch-museum.de- Bekijk de originele nieuwe Busch-tekeningen in het Stadtmuseum Sulzbach-Rosenberg, Neustadt 14 - 16. Ze zijn opgenomen in een expositie tot 9 november over de historie van de drukker Von Seidel: www.sulzbach-rosenberg.de- Lees de biografie ‘Ich wollt, ich wär ein Eskimo, Das Leben des Wilhelm Busch’, door Gudrun Schury, uitgeverij Aufbau, Berlijn, www.aufbau-verlag.de

    • Paul Steenhuis