De gevaarlijke fantasieën rondom wederopbouw

Erken de grenzen van wat je kunt veranderen in een land, stelt Amitai Etzioni. Belangrijk daarbij is om projecten veel zorgvuldiger te selecteren. Enkele voorstellen voor de criteria bij een dergelijke selectie.

De gevaarlijke fantasieën rondom wederopbouw. Tekeningen David Smith Smith, David

De Duitse minister van Buitenlandse Zaken Frank-Walter Steinmeier sprak laatst, tijdens een bezoek aan Washington, met een groepje intellectuelen over de vraag hoe de Amerikaanse maatschappij er omstreeks 2050 voor zou staan. Het was een stimulerende gedachtewisseling, totdat bij het nagerecht de discussie op Afghanistan kwam. Een Amerikaanse gast noemde het idee dat het Westen Afghanistan opnieuw zou kunnen opbouwen zelfgenoegzaam en onrealistisch, evenals de gedachte dat dit in andere landen uitvoerbaar zou zijn – van Irak tot Oost-Timor tot Haïti. Volgens de Amerikaan waren de mislukkingen die hieruit voortvloeiden zelfs schadelijk voor de geloofwaardigheid van het Westen. Een Duitse medewerker in het gevolg van de minister reageerde geëmotioneerd en stelde dat de wederopbouw in Afghanistan juist goed vorderde. Hij wees op de tweeduizend scholen die sinds de Amerikaanse inval van 2001 in Afghanistan zijn gebouwd, de stijging van het aantal kinderen dat nu onderwijs krijgt (met inbegrip van 1,5 miljoen meisjes) en de vierduizend kilometer nieuwe verharde wegen waardoor het vervoer zoveel gemakkelijker wordt.

Hij is de enige niet. Weliswaar slinkt in Duitsland (en in Europa in het algemeen) de steun voor militair optreden in Afghanistan, maar de steun voor wederopbouw blijft aanzienlijk. Volgens een enquête van het Duitse Marshallfonds steunt twee derde van de Europeanen (64 procent) de pogingen tot wederopbouw, maar is niet meer dan een derde (30 procent) voorstander van gevechtshandelingen door hun troepen.

In feite ontstaat er een arbeidsverdeling binnen iets wat technisch gezien één NAVO-missie is: de militaire kant van de operatie valt steeds meer toe aan de Verenigde Staten, terwijl andere landen hun bijdrage op de wederopbouw richten. Aan Europese zijde wordt deze arbeidsverdeling ingegeven door prijzenswaardige tegenzin om te doden en gedood te worden, een moreel plichtsbesef om mensen te helpen die arm zijn en wier land bezet is, en een progressieve theorie dat economische ontwikkeling onmisbaar is, willen Afghanistan en meer van zulke landen worden ontdaan van de invloed van extremistische islamisten. Ook wordt dit als de beste waarborg gezien dat deze landen niet als toevluchtsoord voor terroristen zullen dienen. De veronderstelling luidt dat buitenlandse mogendheden grootscheepse social engineering kunnen bedrijven, „zoals de VS en hun bondgenoten na de Tweede Wereldoorlog Duitsland en Japan bij hun wederopbouw hebben geholpen.”

Maar er is een heel andere benadering geboden; bescheidener en realistischer, maar ook met haar eigen morele fundamenten.

De beperkingen van social engineering

De neoconservatieven kunnen dezer dagen weinig goed doen; ze worden verantwoordelijk gesteld voor de doctrine die in 2003 tot de roekeloze inval in Irak leidde. Kerngedachte was dat buitenlandse mogendheden economieën die onder staatscontrole staan gemakkelijk in vrije markten kunnen omzette – tirannieën in democratieën.

Vergeten wordt dat diezelfde neoconservatieven in de jaren tachtig brede steun verwierven toen ze onderstreepten dat grootscheepse social engineering meestal mislukte. Daarbij wezen ze op de Amerikaanse steden, waar de projecten natuurlijk onder veel gunstiger omstandigheden plaatshadden dan bijvoorbeeld in Afghanistan.

De neoconservatieven toonden aan dat de meeste progressieve programma’s van de Great Society die in de jaren zestig in de VS werden ingevoerd, mislukt zijn; de overheid zag geen kans de armoede uit te bannen, minderheden hun achterstand te laten inlopen, de openbare scholen te verbeteren en het drugsgebruik een halt toe te roepen. De neoconservatieven toonden de onjuistheid aan van de veronderstelling dat sociale problemen op te lossen zijn met een combinatie van goedwillende ambtenaren en bakken geld. In 2003, toen diezelfde neoconservatieven in feite dezelfde aanpak op het verre Afghanistan en Irak toepasten, was dit allemaal vergeten.

De voorvechters van wederopbouw gaan ook voorbij aan de bittere lessen van buitenlandse hulp in het algemeen. Volgens een rapport uit 2006 over de tientallen miljarden dollars die de Wereldbank vanaf halverwege de jaren negentig in economische ontwikkeling heeft geïnvesteerd, ligt „blijvende verhoging van het inkomen per hoofd van de bevolking, onmisbaar voor een vermindering van de armoede, nog altijd buiten bereik van een aanzienlijk aantal landen”. Van de 25 landen die hulp ontvingen had meer dan de helft (14) aan het begin van deze eeuw hetzelfde of een lager inkomen per hoofd als halverwege de jaren negentig. Bovendien ontwikkelden de landen die de meeste hulp kregen zich het minste (vooral in Afrika), terwijl de landen die heel weinig hulp kregen heel snel groeiden (vooral China, Singapore, Zuid-Korea en Taiwan). In andere landen bleek buitenlandse hulp een „vergiftigd geschenk”, omdat ze de afhankelijkheid van buitenlanders bevordert, de inspanningen in eigen land ondergraaft en onevenredig ten goede komt aan mensen die knappe voorstellen kunnen schrijven en in de gunst weten te komen van stichtingen en vertegenwoordigers van buitenlandse hulpinstellingen, in plaats van aan lokale ondernemers en middenstanders.

En vooral hebben de Wereldbank en andere ontwikkelingsonderzoekers – verrassend laat – vastgesteld dat veel hulp wordt verspild doordat de corruptie wijdverbreid is en tot op hoog niveau reikt. De econoom William Easterly heeft systematisch weerlegd dat dat hogere hulpbedragen de armoede kunnen verminderen of vastgelopen staten kunnen moderniseren, en wijst daarbij op de sleutelrol die wanbestuur en corruptie in deze debâcles spelen (Opinie & Debat, 7 juli 2007). Steve Knack van de Wereldbank liet zien dat „enorme hulpinkomsten zelfs tot nog meer bureaucratisering en verergerde corruptie kunnen leiden”.

Niet alle verspilling en corruptie zijn lokaal. De hulp die wordt uitgetrokken voor Afghanistan en soortgelijke landen, gaat voor een groot deel op aan dikbetaalde westerse adviseurs, buitensporige winsten voor westerse aannemers en andere bedrijven (zo moet 100 procent van het voedsel dat Amerika aan buitenlandse hulp verstrekt volgens de Amerikaanse wet van Amerikaanse boeren worden gekocht en moet 75 procent van al dit voedsel door Amerikaanse transporteurs worden vervoerd), en in betalingen aan NGO’s die zich amper hoeven te verantwoorden.

Uit een recente studie van The Economist bleek dat de ontwikkeling van Afghanistan vooral zo slecht verloopt door de wijdverbreide corruptie, de vriendjespolitiek en de stamverbanden, het gebrek aan verantwoordingsplicht en het grove wanbeheer. The Economist adviseerde het Westen om de invoering van hervormingen aan president Hamid Karzai toe te vertrouwen. Maar we vragen onwillekeurig ons af: hoe moet Karzai te werk gaan? Alle ministers bijeen roepen en hun vragen geen smeergeld meer aan te nemen of openbare middelen aan hun gunstelingen toe te wijzen? Ze te ontslaan en te vervangen – door wie? En stel dat hij dit wel zou doen, wat dan met hun medewerkers aan te vangen? Veel politiemensen, rechters, cipiers, douaniers en ambtenaren in Afghanistan nemen geregeld smeergeld aan en geven de leden van hun familie, clan en stam een uitgesproken voorkeursbehandeling. De meesten zijn slecht opgeleid en hebben geen beroepstradities waarop ze kunnen terugvallen. Hoe moet een president (ook als hij de steun van buitenlandse mogendheden heeft) deze diepgewortelde gewoonten en cultuur veranderen?

Nu kunnen we zeggen dat zulke hervormingen zich ook in andere landen hebben voltrokken, en ook in het Westen. Sociologen zouden ontwikkelingslanden zelfs een grote dienst kunnen bewijzen door grondig te bestuderen hoe landen corruptie en wanbeheer hebben weten in te perken. Waarschijnlijk blijkt uit zo’n studie dat dit proces decennia, zo niet generaties heeft geduurd en een aantal grote sociale veranderingen met zich meebrengt, bijvoorbeeld in het maatschappelijke krachtenveld (door de opkomst van een omvangrijke middenklasse) en in het onderwijsstelsel. Die kunnen niet worden geforceerd en moeten grotendeels van binnenuit komen.

Dit geldt ook voor de hervorming van de scholen. Afghanistan heeft inmiddels veel meer scholen met veel meer leerlingen dan enkele jaren geleden. Maar onderwijshervorming vergt meer dan het neerzetten van gebouwen en het vullen van klaslokalen. Er is ook een massale omscholing nodig van de Afghaanse leraren, die vaak zelf maar weinig modern onderwijs hebben genoten (vooral in wis- en natuurkunde) en weinig met moderne leermethoden op hebben en kinderen liever oude teksten uit het hoofd laten leren. De herscholing van vele duizenden leraren (of de opleiding van nieuwe) vergt op haar beurt weer omvangrijke kweekscholen of vergelijkbare onderwijsfaciliteiten, die op het ogenblik niet voorhanden zijn. Het vereist ook dat de schoolhoofden, onderwijsambtenaren en zelfs ouders de nieuwe lesmethoden en de nieuwe leerstof accepteren. Dat gaat allemaal niet vanzelf.

Hetzelfde geldt voor de meeste andere elementen van de economie, het staatsbestel en de samenleving. Traditionele gewoonten en waarden zijn eeuwenlang in acht genomen en diepgeworteld. Het is een langzaam en moeilijk proces om deze te veranderen en dit kan vaak niet worden opgelegd – laat staan overhaast – door buitenstaanders. Als de Verenigde Staten, van Washington tot Los Angeles, al niet hun eigen openbare scholen hebben kunnen hervormen, waarom zouden we er dan van uitgaan dat ze dit in Afghanistan wel kunnen? Als de Fransen de moslimminderheden in de buitenwijken van Parijs al niet aan kunnen, waarom zouden we dan verwachten dat ze dit in de buitenwijken van Kandahar wel kunnen? Ook andere Europese landen hebben niet veel succes geboekt met de verscheidene sociale hervormingen op eigen bodem. Zo blijven in Duitsland achttien jaar na de vereniging de „nieuwe Länder” (het vroegere Oost-Duitsland), ondanks een investering van een biljoen dollar, op veel fronten nog altijd achter.

Maar Duitsland en Japan na de Tweede Wereldoorlog dan? Die geslaagde wederopbouw was aan allerlei omstandigheden toe te schrijven die zich ergens anders vermoedelijk niet zullen herhalen. Allereerst hadden beide landen zich overgegeven na een nederlaag in een oorlog, en zich geheel bij een bezetting neergelegd. Ten tweede waren er allerlei factoren die het proces vergemakkelijkten, veel meer dan in de landen waarin nu een poging tot social engineering wordt gedaan. Er was geen gevaar dat Japan of Duitsland door een burgeroorlog tussen etnische groeperingen uiteen zou vallen, zoals nu in Afghanistan en Irak. Er hoefde geen energie in de opbouw van een nationale eenheid te worden gestoken. Integendeel, de sterke nationale eenheid was een belangrijke reden dat met relatief gemak een verandering kon worden doorgevoerd. Andere gunstige factoren waren onder meer het bekwame overheidspersoneel en het lage corruptiepeil. En essentieel was dat zowel Japan als Duitsland een sterke cultuur van zelfbeheersing kenden – gunstig voor de zware arbeid en hoge besparingen die onmisbaar waren voor de opbouw van lokale activa en de beperking van de kosten.

Ook in de donorlanden waren de omstandigheden anders. In 1948, het eerste jaar van het Marshallplan, bedroeg de hulp aan de zestien betrokken Europese landen dertien procent van de Amerikaanse begroting. Ter vergelijking: nu besteden de Verenigde Staten nog geen één procent van hun begroting aan buitenlandse hulp, en is deze niet uitsluitend bestemd voor economische ontwikkeling. Andere landen doen meer, maar de totale buitenlandse hulp is nog altijd veel lager dan de bedragen die na afloop van de Tweede Wereldoorlog in de wederopbouw werden gestoken. Kortom, de huidige taken zijn veel zwaarder en in vergelijking zijn de beschikbare middelen maar pover.

Het belang van de cultuur (een beleefde benaming voor waarden) is al lang geleden vastgesteld door de sociologische reus Max Weber, die liet zien dat protestanten meer dan katholieken doortrokken waren van de waarden die leidden tot het harde werken en vele sparen die onmisbaar waren voor de opkomst van moderne kapitalistische economieën. Decennia lang bleven de ontwikkelingen in katholieke landen (zoals in Zuid-Europa en Latijns-Amerika) achter bij die in de protestante Angelsaksische landen en in Noordwest-Europa. Deze verschillen namen pas af naarmate de katholieken meer op protestanten gingen lijken.

Cultuur is ook een belangrijke factor ter verklaring van het opvallende verschil in ontwikkelingstempo tussen diverse landen, vooral tussen de Zuid-Aziatische „tijgers” (die weinig hulp hebben gekregen) en de Afrikaanse en Arabische landen die grote hulpbedragen hebben ontvangen. De stelling is níét dat deze laatste landen niet te ontwikkelen zijn wegens bepaalde genetische redenen, maar dat hun cultuur de nadruk op andere waarden legt, vooral traditioneel godsdienstige waarden en gemeenschaps- en stamverbanden. Deze culturen kunnen wel veranderen, maar alleen langzaam, zo blijkt, en de veranderingen in kwestie kunnen niet door buitenstaanders worden opgedrongen. Daarom moeten we verwachten dat de wederopbouw in landen als Afghanistan zeer traag zal gaan en veel van alle betrokkenen zal vergen.

Groei stopt het terrorisme niet

We zouden kunnen zeggen dat het Westen geen andere keus heeft dan landen als Afghanistan te helpen, omdat de massa’s daar een minder vruchtbare voedingsbodem voor terroristen vormen als ze werk en een fatsoenlijk inkomen hebben of – het allerbeste – land en huizen bezitten. Dit schijnt vooral te gelden voor Afghanistan en vergelijkbare landen met relatief veel jonge mensen.

Ondanks de onder progressieven wijdverbreide opvatting dat terrorisme aan armoede gekoppeld is en dat ontwikkeling daarom het beste tegengif is, blijkt uit de meeste studies dat er tussen die twee geen verband bestaat.

De terroristen die op 11 september 2001 het Amerikaans grondgebied aanvielen kwamen uit een middenklassemilieu en sommigen hadden gestudeerd. Bin Laden is miljardair. Politicoloog F. Gregory Gause heeft opgemerkt dat de „wetenschappelijke literatuur over het verband tussen terrorisme en andere sociaal-politieke indicatoren, zoals democratie, verrassend schaars is.” Uit de gegevens die er wél zijn „blijkt zeker niet dat democratieën wezenlijk minder vatbaar zijn voor terrorisme dan andere regeringsvormen”.

De morele plicht om projecten te selecteren

De ethiek leert dat de bevoorrechten onder ons die (als persoon en als land) een veel hoger inkomen dan andere mensen of landen hebben en die profiteren van de vroegere uitbuiting van deze voormalige koloniën, de morele verplichting hebben om deze minder gelukkigen te helpen. Volgens sommigen geldt die verplichting vooral sterk voor landen die bezet zijn geweest, vanwege de schade die bezetters aanrichten. Toen Colin Powell Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken was, verwees hij naar een regel uit servieswinkels – „Wat je breekt, is van jou” – die hij ook voor bezette landen vond gelden.

Maar deze regel bestaat helemaal niet. Ook spreekt het niet vanzelf dat het Westen, als het een schrikbewind als dat van de Talibaan of Saddam omverwerpt, het bevrijde volk nog meer verschuldigd is. We zouden zelfs kunnen stellen dat het Westen dan een klinkende dankbaarheidsbetuiging verdient. Maar als we toch stellen dat de bezetters deze bezette landen weer behoren op te lappen, bijvoorbeeld door de deuren te betalen die bij de zoektocht naar terroristen zijn vernield, wordt dit begrensd door de feitelijke betekenis van de term „wederopbouw”. Oftewel: herstel van de omstandigheden in de staat van voor de bezetting – niet de opbouw van A tot Z van een geheel nieuwe economie, staatsvorm en maatschappij.

Welke conclusie we op dit laatste punt ook trekken, er is duidelijk een morele verplichting de beperkte middelen niet te verspillen. We moeten daarbij wel aanvaarden dat we de buitenlandse hulp nog zoveel kunnen verhogen, maar dat dit in de verste verte nooit de benodigde middelen zal opleveren. Tenminste niet als we de ontwikkeling benaderen – zoals het Westen doet in Afghanistan en Irak – als een poging om vrijwel alle aspecten van de bewuste maatschappijen te hervormen, inclusief hun economie, overheid, onderwijs en volksgezondheidsstelsel, sociale voorzieningen, leger en politie, rechtbanken en gevangenissen, media en nog véél meer. Vaak wordt gesteld dat de VS geen plan voor het naoorlogse Irak hadden. In werkelijkheid had het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken voor de inval van 2003 een lijvige, 13-delige studie over „de toekomst van Irak” klaarliggen. Deze studie bevatte plannen voor wederopbouwprojecten op tal van terreinen, zoals Water, Landbouw en Milieu, Volksgezondheid en Humanitaire Noden, Beleid en Instellingen op Defensiegebied, Economie en Infrastructuur, Onderwijs, Justitie, Democratische Beginselen en Procedures, Lokaal Bestuur, Opbouw Maatschappelijk Middenveld, Vrije Media, Olie en Energie.

Als uitvloeisel van zo’n brede totaalbenadering werden tientallen projecten opgezet, maar daarvan zijn er maar zeer weinig afgerond. Vaak werden ze weer stilgelegd omdat er niet genoeg geld was om ze te voltooien. Progressieve waarnemers zouden hierop reageren door meer hulp te eisen. Maar hoe ruim het budget ook is, de grote wanverhouding tussen benodigde en beschikbare middelen blijft bestaan en veel veranderingsprocessen vergen eenvoudigweg een lange rijpingstijd (bijvoorbeeld acculturatie) en kunnen niet worden opgedrongen.

Wie dit kardinale punt onder ogen ziet, moet concluderen dat de vraag waar de beperkte middelen de beste uitwerking zullen hebben en waar ze vermoedelijk weggegooid zijn of zelfs schade zullen aanrichten, niet alleen een praktisch, maar ook een belangrijk moreel vraagstuk is.

Je kunt een vergelijking maken met de keuzes die artsen moeten maken. Welke projecten voor social engineering zijn onherstelbaar en mogen we laten afsterven? Welke zullen het vermoedelijk zelfstandig wel redden en hoeven geen fondsen te ontvangen? En welke handvol uitverkorenen behoren de eerste prioriteit te krijgen?

Wat kunnen we doen?

Zo’n keuzeproces is voor ontwikkelingswerk niet eerder geprobeerd. Er moet nog veel over gedebatteerd worden. Ik wil daar hier een paar voorzetten voor geven.

1 Ik heb elders laten zien (in ‘Veiligheid komt vóór democratie, Opinie & Debat 16 juli 2007) dat eerst een basis van veiligheid moet worden gelegd. Als de olieleidingen die overdag worden aangelegd ’s nachts weer worden geblazen, zal de olie niet ver stromen. Als tegen hoge kosten elektriciteitscentrales worden gebouwd maar ze worden niet beveiligd, dan zijn ze eenvoudig weggegooid geld. Als vaklui bang voor terroristen zijn, zullen ze het land verlaten en ergens anders gaan werken.

Ik spreek bewust over basisveiligheid omdat niet alle dreigingen per se overwonnen behoeven te worden; zelfs in westerse steden bestaat immers een zeker element van gevaar, zowel van criminelen als van terroristen. Maar zulke dreigingen moeten op een niveau worden gehouden waarop de bevolking kan functioneren en waarop de middelen effectief kunnen worden ingezet.

De omgekeerde redenering, dat ontwikkeling onmisbaar is voor veiligheid en hier dus aan vooraf moet gaan, klopt niet; ten eerste omdat zonder een veilige basis geen ontwikkeling kan plaatsvinden, en ten tweede omdat ontwikkeling als zodanig, zoals we al zagen, geen veiligheid verschaft.

2 Op morele gronden dient humanitaire hulp te worden verleend in de vorm van basisbenodigdheden (zoals die worden verstrekt na natuurrampen), ongeacht of deze tot ontwikkeling leiden, door corruptie deels verloren gaan, tot de veiligheid bijdragen of enig ander nut hebben.

3 Resultaten op korte termijn moeten de voorkeur krijgen boven langetermijneffecten. Betere zaden, bemesting of irrigatie leveren binnen maanden resultaat op. De aanplant van bomen binnen jaren. Lager onderwijs – tien jaar of meer. Deze voorbeelden illustreren hoe moeilijk het is de conclusies te aanvaarden waar selectie toe kan leiden. Maar wie anders te werk gaat, ondergraaft de doelstellingen die onder handbereik liggen.

4Projecten met een hoog multiplier-effect dienen de voorkeur te krijgen boven die met een lage multiplier; arbeidsintensieve, niet-kapitaalintensieve projecten boven die met het tegengestelde profiel; en projecten die weinig energie of duurzame energie gebruiken boven die met het tegengestelde profiel.

5Op elk terrein geldt: liever een klein aantal projecten afmaken dan aan een groot aantal beginnen. Dit is het tegendeel van de manier waarop de ontwikkeling in Afghanistan en Irak is aangepakt.

6Over het algemeen dienen oude elementen op hun plaats te blijven en niet te worden vervangen, maar hersteld of geleidelijk hervormd te worden. Dit geldt voor materiaal, instellingen en mensen, bijvoorbeeld stamhoofden (in Afghanistan), leden van de regeringspartij in overheidsdienst (de Ba’ath in Irak) en de keizer (in Japan).

7Essentieel is een radicaal andere ontwikkelingsopzet. We moeten daarbij af van de verkooppraatjes en de hype’s, met inbegrip van de beloften aan landen om „door een keer met de vingers te knippen” armoede in rijkdom, tirannie in democratie en terreur in vrede om te toveren. In plaats daarvan kan beter worden gewaarschuwd dat ze nog een lange en moeizame weg te gaan hebben. Zo’n serieuze verlaging van de verwachtingen is essentieel om te voorkomen dat het moreel breekt en dat de steun in de donorlanden én onder de hulpontvangers afneemt. Het moedigt bovendien de betrokkenen aan liever zelf naar beste vermogen bij te dragen dan te rekenen op de aalmoezen van buitenstaanders; het kan hen verder bewegen hun conflicten te verminderen en hun geschillen via politieke kanalen op te lossen. Deze opzet zal zijn geslaagd als betrokkenen verbaasd vaststellen dat de resultaten hun verwachtingen hebben overtroffen.

8Iets wat maar zelden wordt besproken is dat westerse social engineers zich eigenlijk ten doel stellen om landen als Afghanistan in westerse maatschappijen te veranderen.

Dat is een diepe belediging voor de traditionele en godsdienstige waarden van de meeste mensen in die maatschappijen. Het grootste probleem is niet dat de oude waarden en de sociale verhoudingen die daaromheen zijn opgebouwd worden ondergraven, maar dat het waardenvacuüm waartoe dit leidt niet wordt opgevuld. In feite worden in plaats daarvan de westerse vormen van hedonistisch materialisme of consumentisme aangeprezen; de vooruitgang wordt afgemeten aan het inkomen per hoofd van de bevolking of het aantal wasmachines of tv-toestellen dat een gezin bezit. Deze waarden zijn niet gericht op de diepgaande geestelijke, sociale en morele vraagstukken die vrome mensen – het overgrote merendeel van de Afghanen – innig ter harte gaan. Het is noodzakelijk dat hun traditionele waarden plaatsmaken voor (of praktischer: worden omgezet in) andere, maar dan wel positieve sociaal-morele waarden, van het soort dat gematigde moslims aanspreekt. Hoe deze nieuwe sociaal-morele waarden zouden kunnen luiden en hoe ze bevorderd kunnen worden is een belangrijk en complex thema dat hier niet zomaar even kan worden behandeld. Maar het feit dat hieraan geen aandacht wordt besteed is een voorname reden dat de westerse denkbeelden over economische ontwikkeling niet zo welkom zijn in de traditionele maatschappijen als hun pleitbezorgers wel verwachten.

Het is heel goed mogelijk om de wederopbouwselectie te laten leiden door verschillende criteria. Maar de praktijk wijst ondubbelzinnig uit dat een over-ambitieuze totaalbenadering zeer waarschijnlijk zal mislukken en dat er ernstige twijfel aan de morele waarde zal bestaan, omdat ze tot verspilling van schaarse middelen en een groeiende vervreemding leidt.

Bij wederopbouw geldt hetzelfde als op zoveel andere terreinen van menselijke activiteit: less is more. Als Europeanen de leiding willen nemen in de wederopbouw van Afghanistan en als dit land een soort model zou moeten worden voor andere landen, dan zou de zaak meer gebaat zijn bij leiders die bescheidenheid tonen, voor selectie kiezen en de hype’s vervangen door resultaten die de beloften overtreffen in plaats van er ver bij achter te blijven.

Amitai Etzioni is hoogleraar sociologie en internationale betrekkingen aan de George Washington Universiteit in Washington. Hij is een van de leidsmannen van de communitaristische beweging die niet markt of overheid, maar het maatschappelijke middenveld centraal stelt. Daarmee is hij een inspiratiebron voor premier Balkenende. Etzioni schreef onder andere ‘Security First: For a Muscular, Moral Foreign Policy’.

De genoemde stukken van Etzioni en Easterly zijn na te lezen via nrc.nl/opinie

    • Amitai Etzioni