‘De Britse politiek is negentiende-eeuws’

Sinds een jaar is Nick Clegg leider van de Britse Liberaal-Democraten. In de polls doet zijn partij het bijna even goed als Labour. Hij maakt zich zorgen over de burgerrechten in zijn land. „De vrijheden zijn de afgelopen tien jaar sneller afgebrokkeld dan in de vijftig jaar daarvoor.”

Nick Clegg, leider van de Britse Liberaal- Democraten, voor het parlementsgebouw in Londen Foto Reuters Britain's Liberal Democrat leader Nick Clegg pauses while speaking to news crews outside the Houses of Parliament, after a vote to force the Prime Minister to call a referendum on the new European Union reform treaty, in central London on March 5, 2008. Prime Minister Gordon Brown defeated a bid on Wednesday to force him to call a referendum on the new European Union reform treaty that many analysts believe he would lose, and thirteen Liberal Democrat MPs rebelled against the party's orders to abstain on the referendum vote, with three front bench spokesmen resigning their posts, local media reported. REUTERS/Luke MacGregor (BRITAIN) REUTERS

Het is een verrassing om in de luisterrijke gebouwen van het Britse parlement in accentloos Nederlands te worden verwelkomd door een van de meest vooraanstaande Lagerhuisleden. Nederlands is de moedertaal van Nick Clegg, leider van de Liberaal-Democratische Partij. Hij spreekt het bijna even vloeiend als zijn ‘vadertaal’ Engels. Nog regelmatig is hij in Nederland voor familiebezoek en hij kent het land goed.

Sinds eind vorig jaar staat Clegg aan het hoofd van de Lib Dems, zoals de Britten de derde partij van het land meestal kortweg aanduiden. De Liberaal-Democraten kunnen weliswaar bogen op een roemrijk verleden – in de negentiende eeuw voerden de liberalen vele regeringen aan – maar inmiddels poogt de partij tevergeefs al generaties lang uit de schaduw te treden van de grote twee, Labour en de Conservatieven. Ook Clegg heeft daaraan nog weinig kunnen veranderen, al zit de partij in sommige opiniepeilingen Labour de laatste weken op de hielen.

„Het wordt wel de moeilijkste baan in het Lagerhuis genoemd”, erkent de relatief jonge partijleider even later in zijn sobere kantoor, ditmaal in een deftig Cambridge Engels. Hij is pas 41 jaar oud en heeft een jongensachtige uitstraling. Dit voorjaar ontpopte hij zich bovendien als een man van Don Juan-achtige allure. Tegenover een journalist onthulde hij in een onbewaakt ogenblik dat hij met „niet meer dan dertig” vrouwen het bed gedeeld had.

De op een na grootste oppositiepartij (63 van de 646 Lagerhuisleden zijn Lib Dems tegen 193 Conservatieven en 350 voor het regerende Labour) werpt zich vaak op als kampioen van de burgerrechten en als het verstandige gezicht van de Britse politiek voor wat betreft de betrekkingen met de rest van Europa.

Clegg heeft zeker op dat laatste vlak recht van spreken. Niet alleen zat hij een aantal jaren in het Europees Parlement, maar via zijn Nederlandse moeder, zijn Spaanse echtgenote en een Russische grootmoeder zijn zijn banden met het Europese vasteland innig. Hij spreekt vijf Europese talen, vermoedelijk een unicum in het Lagerhuis.

De liberale voorman is daarnaast zeer begaan met de burgerrechten, juist ook in eigen land. Hij heeft daaraan in zekere zin zijn eigen bestaan te danken. Zowel zijn grootmoeder, die vluchtte na de Russische revolutie, als zijn moeder, die als meisje in een Jappenkamp zat, vond uiteindelijk een goed heenkomen in Groot-Brittannië. „Want onze natie is er een van verdraagzaamheid, vrijheid en compassie”, zoals Clegg eerder dit jaar in een toespraak opmerkte.

Des te meer steekt het hem dat juist onder de huidige Labour-regering de rechten van de burgers in veel opzichten zijn aangetast. Vorige maand nog ging het Lagerhuis akkoord met een regeringsvoorstel om mensen die worden verdacht van terrorisme 42 dagen zonder aanklacht te kunnen vasthouden, langer dan waar ook in Europa.

Wordt Groot-Brittannië een minder vrij land?

„Zonder twijfel”, zegt Clegg, terwijl door het open raam van zijn werkkamer het dreunende geluid van Big Ben valt te horen. „De burgerrechten en de vrijheden waaraan we gewend waren, zijn de afgelopen tien jaar sneller afgebrokkeld dan in de vijftig jaar daarvoor. Deze regering voert steeds de dreiging van het terrorisme aan om bewakingstechnologie in te voeren die inbreuk maakt op de rechten van de burgers. Van de vorming van het grootste bestand aan menselijke DNA-gegevens ter wereld en de installatie in Londen van meer bewakingscamera’s per hoofd van de bevolking dan waar ook, tot plannen voor het grootste en duurste programma voor identiteitskaarten, die ook weer ernstig inbreuk dreigen te maken op de persoonlijke vrijheid van de burger. Steen voor steen heeft de regering zo een bewakingssysteem opgezet dat tot de meest geavanceerde ter wereld behoort.”

Waarom is juist deze regering daarop zo gespitst?

„De Labour-regering is altijd gefascineerd geweest door het potentieel van technologie, terwijl ze doorgaans nogal onverschillig staat tegenover de risico’s die dat met zich meebrengt voor de burgerlijke vrijheden.”

Maar veel mensen juichen die extra bewaking juist toe. Doet de regering niet slechts wat de bevolking wil?

„De mensen zijn tegenstrijdig in hun opstelling. Als je mensen vraagt of gevaarlijke lieden die hen willen opblazen moeten worden opgesloten, dan zullen 99 van de 100 ‘ja’ zeggen. Maar als je ze voorhoudt dat zijzelf of hun vrouw of man weken achtereen kunnen worden opgesloten in een cel zonder dat daarvoor een reden hoeft te worden opgegeven, zullen ze ‘nee’ zeggen. Als je ze vraagt of ze op elke straathoek een camera willen om misdadigers te kunnen opsporen, dan zal de overgrote meerderheid daarmee instemmen. Maar als je ze vertelt dat ze gemiddeld 300 keer kunnen worden gefotografeerd louter en alleen door Londen in en uit te reizen, dan zullen ze dat buiten alle proporties vinden. Het hangt er dus van af hoe je de vraag stelt, maar uiteindelijk gaat het erom dat je het juiste evenwicht vindt.”

En is die balans zoekgeraakt?

„Volkomen. Ik geloof zelf ook in het gebruik van bewakingscamera’s, zelfs in het beperkte gebruik van DNA-materiaal om misdadigers te kunnen opsporen, maar het moet in verhouding staan tot de concrete dreiging.”

U hebt de alarmklok geluid over de kwaliteit van de Britse democratie. Is ook die in gevaar?

„Ik geloof dat onze democratie dringend toe is aan vernieuwing. We hebben lange tijd op allerlei oude procedures vertrouwd, maar de wereld om ons heen is veranderd. We hebben negentiende-eeuwse instellingen, die niet goed zijn berekend op de uitdagingen van deze eeuw. Wij hebben een erg grove vorm van democratie, waarbij de stemmen die worden uitgebracht in het parlement niet goed weergeven wat de bevolking vindt. Zo kan het gebeuren dat Gordon Brown vandaag de dag regeert, terwijl zijn partij bij de laatste verkiezingen slechts kon rekenen op de steun van 22 procent van de geregistreerde kiezers (doordat veel kiezers hun stem niet besloten uit te brengen, red).”

Maar de partij met de meeste stemmen wint toch gewoon?

„We hebben een in toenemende mate verouderd partijenstelsel, waarbij de kiezers feitelijk slechts kunnen kiezen uit twee opties: Labour of Conservatief. Het is een systeem dat niet langer de steun van de Britse bevolking geniet. Bij de verkiezingen van 2001 stemden voor het eerst minder mensen op de winnende partij dan er wegblijvers waren. En dat herhaalde zich in 2005. De mensen stemmen door niet te stemmen. We kampen met andere woorden met een democratisch tekort. Het systeem doet geen recht meer aan de pluralistische opvattingen binnen Groot-Brittannië.”

Maar dat is geen exclusief Brits probleem. Nederland en andere landen worstelen ook met dalende opkomstcijfers. Veel Nederlanders kijken juist met afgunst naar het Britse systeem met zijn slagvaardige kabinetten en relatief onafhankelijke parlementariërs, die altijd goed zijn voor levendige debatten.

„Wat we willen is een stelsel dat democratischer is dan wat er nu in het Verenigd Koninkrijk bestaat. Proportionaliteit en districtenstelsel vallen best met elkaar te combineren, zoals al in Duitsland en de laatste tijd ook in Schotland gebeurt. Het moet representatiever worden, maar het moet wel de band behouden met de districten. Dat laatste ontbreekt weer in veel andere Europese landen. Daardoor zijn parlementariërs daar vaak in de eerste plaats loyaal aan de partijchefs in plaats van aan de mensen die zij vertegenwoordigen. Een van mijn belangrijkste plichten is nog steeds de inwoners van mijn kiesdistrict Sheffield Hallam te vertegenwoordigen. Elke week houd ik daar spreekuur en iedereen kan bij me komen met zijn zorgen.”

Clegg mag leider van de derde partij van het land zijn, in het Lagerhuis moet hij genoegen nemen met een tamelijk ondergeschikte plaats. Zowel premier Gordon Brown als Tory-leider David Cameron heeft een katheder tot zijn beschikking tijdens het wekelijkse vragenuurtje. Clegg niet. Pas nadat Brown en Cameron, recht tegenover elkaar staand, de degens met elkaar hebben gekruist, krijgt Clegg van de voorzitter het woord en mag hij enkele vragen vanaf de zijlijn afvuren. Dat doet hij overigens, na een aarzelend begin, volgens veel commentatoren met steeds meer verve.

Is het frustrerend voor u als leider van de op een na grootste oppositiepartij dat u toch betrekkelijk weinig invloed op de gang van zaken heeft?

„Het is niet gemakkelijk. Maar je moet verder kijken dan Westminster alleen. Ik zie macht en invloed niet als iets dat alleen maar kan worden afgemeten aan de gang van zaken in het Lagerhuis. Ik kijk naar het feit dat mijn partij bij de laatste algemene verkiezingen meer dan zes miljoen stemmen kreeg, meer dan enige andere liberale partij in Europa. Ik let op het feit dat de Liberaal-Democraten de laatste jaren hebben meegeregeerd in de regionale regeringen van Schotland en Wales. We maken deel uit van de liberale fractie in het Europees Parlement, die daar een beslissende stem heeft. Ook in het Hogerhuis kan onze stem de doorslag geven. Bovendien kijk ik naar het feit dat bijna alle grote steden buiten Londen bestuurd worden door de Liberaal-Democraten. Of het nu gaat om Edinburgh, Liverpool, Sheffield, Hull, Newcastle, Bristol, het is opmerkelijk dat ‘gemeentelijk’ Groot-Brittannië met begrotingen van vele miljarden ponden op het moment grotendeels wordt bestuurd door Liberaal-Democraten. Dan zie je dat we een geweldige hoop invloed hebben.”

U heeft een zeldzaam Europese achtergrond. Stoort het u dat de Britten over het algemeen zo sceptisch tegenover de Europese samenwerking blijven staan?

„Het is waar dat bij veel Britten een diepe scepsis heerst over de wijze waarop de Europese Unie werkt. Een begrijpelijke frustratie ook gelet op het eindeloze proces van institutionele hervormingen. Maar als natie zijn we intuïtief juist heel internationaal gericht. Zelf was ik onlangs in Afghanistan om de Britse troepen te bezoeken. Even afgezien van de vraag of het goed is of niet dat ze daar zijn gelegerd, feit is dat ze daar met zovelen in een moeilijke omgeving zitten, waar wekelijks manschappen sneuvelen. Dat is een bewijs van onze sterke betrokkenheid bij pogingen de wereld beter te maken.”

Maar in Europa merken we minder van die intuïtie?

„Voor een internationalist als ik is het daarom zaak die intuïtie te benutten om te voorkomen dat we in Europa in onze schulp kruipen. Daarom moeten we steeds opnieuw uitleggen dat de EU de beste weg is waarlangs we onze invloed in de wereld kunnen doen gelden. Ik weet dat we een lange weg te gaan hebben, maar volgens mij is er op den duur geen enkele grote internationale kwestie die op een andere manier kan worden aangepakt dan via de Europese samenwerking. Of het nu gaat om het milieu, innovatie, asielzaken, de regelgeving voor internationale bedrijven, internationale handelsbesprekingen of de betrekkingen met Rusland. De lijst kan naar believen worden aangevuld. Het is mijn taak en die van mijn generatie politici te laten zien dat de EU een prima instrument is om dat soort supranationale kwesties aan te pakken.”

Hoe verklaart u dat de Britten dikwijls meer reserves koesteren jegens Europa dan bij voorbeeld tegenover Azië?

„Ik geloof persoonlijk dat een belangrijke reden de psychologische omstandigheden waren waarin we lid werden van de EU. Voor de Benelux, voor de Fransen, de Duitsers en de Italianen was de vorming van de Europese Gemeenschap een triomf van vrede over oorlog. Voor de Grieken, de Spanjaarden en de Portugezen was het een triomf van democratie over fascisme om zich bij de EG te voegen. Groot-Brittannië sloot zich er als enige slechts bij aan omdat we het gevoel hadden dat we geen andere keus hadden. Voor ons wat het geen teken van kracht maar van zwakte. Meedoen aan de Europese samenwerking was een bevestiging van onze relatieve zwakte vergeleken met ons recente verleden als koloniale wereldmacht. Dat gevoel speelt ons nog steeds parten.”

Een soort minderwaardigheidscomplex?

„Ja, in ons onderbewustzijn. Vooral bij de oudere generatie, die ervan was doordrongen dat Groot-Brittannië niet meer de status genoot die het eens had. Dat veroorzaakte een zeker schuldgevoel. Ik geloof dat mijn generatie daar anders tegenover staat, ook door het supranationale karakter van de thema’s, die ik al eerder noemde. De grote uitdaging is om steeds weer uit te leggen dat er een heel goed idee achter de EU schuilgaat. En dat is dat we de wereld om ons heen niet kunnen controleren tenzij we het samen doen.”

U achtte een referendum over het Europese Hervormingsverdrag onnodig maar pleitte wel voor een referendum over het lidmaatschap van de EU. Waarom?

„In onze democratie bewaar je referenda voor grote kwesties omtrent verreikende besluiten die zich lenen voor een eenvoudig ja of nee. En ik geloof dat de werkelijk belangrijke vraag achter alle verhitte discussies van de laatste tijd over de Europese Unie is: blijven we lid of niet. Het Lissabon-verdrag is een lijst amendementen op de bestaande verdragen. Als je dat verdrag afwijst, kan de EU nog steeds functioneren als tevoren. Het is welbeschouwd een tamelijk bescheiden lijst amendementen. Ik geloof niet dat zoiets een referendum waard is.”

Waar moet het heen met de Europese samenwerking als het hervormingsverdrag van Lissabon het al met al niet haalt?

„Ik denk dat we snel, bij voorkeur al deze herfst, moeten besluiten wat we met ‘Lissabon’ aanwillen. Maanden van onzekerheid zou heel slecht voor de EU zijn. Als de Ieren hier niet verder mee willen, dan moeten ze dat duidelijk zeggen. Hoewel ik het Lissabon-verdrag steun, geloof ik niet dat de Europese Unie er mee staat of valt. We hoeven er niet voor in de loopgraven te sterven. Zo nodig gaan we verder op basis van de huidige regels, ook al zijn die niet volmaakt. Laten we vooral ophouden met dat eindeloze institutionele vuurwerk en de zaken aanpakken die de burger bezighouden, zoals een dreigende economische recessie, stijgende energieprijzen en het terrorisme.”

In Nederland maar ook elders lijken mensen de neiging te hebben zich meer naar binnen te keren, nu ze worden geconfronteerd met de internationale problemen die u schetst.

„Het is een van de grootste dilemma’s in de hedendaagse politiek dat juist nu we meer dan ooit supranationale oplossingen nodig hebben, de mensen politiek gezien meer lokaal gericht zijn geworden. Er is een grote behoefte aan leiderschap bij de leidende nationale politici. Mensen houden zichzelf echt voor de gek wanneer ze het doen voorkomen alsof ze politiek kunnen bedrijven op negentiende-eeuwse wijze. Alsof we zelf alle antwoorden nog steeds binnen bereik hebben. Politici moeten een stuk eerlijker tegenover de kiezers zijn. Laten ze dat na, dan wekt dat een diep cynisme over de politiek in de hand.”

Ziet u in eigen land of elders in Europa politici van dat kaliber?

„Nee, ik geloof dat er een grote afwezigheid van leiderschap in Europa is. De enige die verrassend genoeg zijn land een beetje in een meer internationale richting duwt is de Franse president Nicolas Sarkozy. Zijn besluit Frankrijk weer een rol toe te kennen binnen de NAVO en de Franse militairen ingrijpend te hergroeperen is een van de meest dramatische voorbeelden van een leider die probeert zijn land in lijn te brengen met de wereld waarin we leven.”

U noemde zichzelf in een interview „tamelijk Nederlands, cultureel gesproken”. Wat bedoelde u daarmee?

Clegg lacht een beetje: „Ik ging vaak naar Nederland op vakantie. Nog steeds heb ik veel contact met mijn neven en nichten en ik spreek Nederlands met mijn moeder. Ik verkeerde altijd in een heel Nederlandse omgeving. Er was een ethos in ons gezin dat nogal afweek van de veel meer op klasse gebaseerde omgeving in het Verenigd Koninkrijk. Ons kinderen werd bijgebracht dat mensen in andere landen dingen soms anders deden, soms ook beter dan wij.”

Nederlanders staan niet altijd bekend om zulke bescheidenheid?

„Dat is waar, huichelachtigheid is Nederland nooit vreemd geweest. Maar in sommige opzichten kunnen we zeker van de Nederlanders leren. De publieke diensten zijn over het algemeen beter dan de Britse op het terrein van de volksgezondheid, het onderwijs en het vervoer.”

Het zal u niet zijn ontgaan dat Nederland de laatste jaren een soort identiteitscrisis doormaakt. Wat vindt u daarvan?

„Het is inderdaad niet meer het Nederland dat ik kende. Ik heb juist het boek Murder in Amsterdam van Ian Buruma gelezen. Ik denk dat het Nederlandse politieke systeem de laatste tien, vijftien jaar gebaseerd was op een consensus, waarbij de partijen allemaal samenhokten op hetzelfde terrein. Die consensus met het poldermodel had grote voordelen. Het maakte een benadering voor de lange termijn mogelijk voor de openbare diensten, stedelijke planning, het milieu en andere kwesties.”

En de zwakte ervan?

„Die was dat de grote partijen onvoldoende en niet snel genoeg stemmen hoorden van mensen die bepaalde zorgen hadden, met name over de komst van migranten. Toen dat ten slotte gebeurde ging dat op een veel explosievere manier dan anders het geval zou zijn geweest. Het Britse politieke systeem daarentegen is ondanks zijn tekortkomingen effectiever bij het oppikken van signalen als zulke kwesties in het land spelen, hoe weinig in zwang ze misschien ook zijn. Achteraf bezien hadden de Nederlandse politici zich eerder moeten openstellen voor zulke geluiden en daar serieus op in moeten gaan.”

Dan krijgt Clegg een signaal van een medewerker dat de tijd op is. Nog vakantieplannen, vraagt hij op de valreep, weer in het Nederlands. Zelf vertrekt hij komend weekeinde naar Frankrijk. Ook zijn Nederlandse familie is daar van de partij. Want Nederland én de rest van Europa blijven deze Brit trekken.