CHINEZEN OVER HUN TOEKOMST

Het economische karakter van China is radicaal veranderd. Dankzij Deng Xiaoping, de leider die 30 jaar geleden tegen een uitgemergeld volk zei dat ‘rijk worden geen zonde is’. Miljoenen Chinezen stroopten de mouwen op. Chinezen zoals boer Yan, schoenmaker He, fabrieksarbeidster Li, bestuursvoorzitter Gu, en internetondernemer Mao. Correspondent Oscar Garschagen sprak met hen. Over hoe zij die veranderingen ervaren. En over de toekomst.

Geïllustreerd met een getekende reportage van modern China van tekenaar Serge Baeken.

Baeken, Serge

Ontsteld vraagt boer Yan Hongchang waarom hij gefotografeerd wordt voor zijn roestige dorsmachine en niet naast zijn zilverkleurige Audi 6.

Heeft u die dan?

Snoevend had hij zichzelf tijdens de met alcohol besprenkelde lunch ‘een kapitalist’ genoemd, maar dat een pachtboer op de weerbarstige akkers van Xiaogang in de arme provincie Anhui over een luxueuze auto beschikt, is zelfs in modern China verrassend.

‘Een geschenk van mijn zonen’, legt de slanke vijftiger met lang haar dat glimt van de gel, uit. Net als iedere Chinese man van een zekere leeftijd verft hij zijn haar koolzwart, want grijze lokken zijn een teken van zwakte en armoe.

‘Mijn oudste heeft een fabriek voor energiebesparende lampen in Shanghai opgebouwd. Hij is al heel rijk geworden. Mijn tweede zoon werkt op een golfresort bij Nanjing. Hij wordt vast ook rijk.’

Een paar jaar geleden had hij nog nooit gehoord van de golfsport of energiebesparende verlichting. Zijn huiskamer, met in een hoek een wormstekig dressoir en een antieke, gelakte kast en in de andere hoek zakken zaaigoed en pesticiden, wordt verlicht met een schel peertje.

Op het aangeharkte, schoongeveegde erf spelen zes van zijn vijftien kleinkinderen. Drie jongere vrouwen, zijn dochters, wassen buiten af. Boeren in Anhui hebben zich nooit veel aangetrokken van de eenkindpolitiek, want er zijn handen op het land en mannelijke opvolgers nodig. Boetes worden betaald of genegeerd. Nog niet zo heel lang geleden werden ook hier pasgeboren dochters ‘weggedaan’.

De Audi staat onder een partytent naast het drie etages tellende woonhuis en is afdekt met blauwe en groene dekens, een paar kuikens trippelen onder de auto op zoek naar graankorrels. Een glanzende middenklasser van Duitse makelij – van Chinese auto’s moet Yan niets hebben – in een boerenschuur in een provincie waar drie decennia geleden grote hongersnood heerste, welkom in modern China.

Na de auto uitvoerig geprezen te hebben, leidt boer Yan mij naar de hut waar zijn verhaal begon. Twee kleindochters, zijn oogappeltjes, neemt hij mee aan de hand en vier kleinzonen, dreumessen in katoenen broeken met de traditionele spleet die luiers overbodig maakt, volgen in zijn voetspoor als kuikens de moedereend. De hut van gescheurd, zandkleurig leem en verweerd stro staat aan de overkant van de nieuwe weg.

Op een lage kruk vertelt hij hoe hij in deze hut samen met vijftien andere jonge boeren een contrarevolutionair plan beraamde. In het diepste geheim spraken de desperate boeren in de nacht van 28 november 1978 af om eigenhandig de volkscommune af te schaffen.

De volkscommune was ook twee jaar na de dood van de grote roerganger Mao Zedong nog de sacrosancte spil van de maoïstische heilstaat. De mannen drukten hun in rode inkt gedoopte duimen op het rijstpapieren document waarin de verdeling van het land werd geregeld.

‘We gingen gewoon door met het roepen van slogans en het zingen van strijdliederen. Dat deden we om niet in de gaten te lopen, eigenlijk waren wij kapitalisten, want we wilden loon naar werken’, grinnikt Yan. ‘U heeft geen idee hoe arm wij waren. We moesten iets doen, want er waren in een jaar tijd zestig bejaarden en baby’s van de honger gestorven. Hoe hard wij ook werkten, we leden altijd honger. Dat lag aan het systeem en aan de droogtes’, fluistert Yan.

Vijfentwintig tot dertig miljoen Chinezen stierven tijdens de krankzinnige landbouwexperimenten die Mao presenteerde als De Grote Sprong Voorwaarts.

Yan strijkt zijn glanzende haar achterover. ‘We waren wanhopig, maar we moesten iets doen. Het contract regelde behalve de verdeling van het land ook dat we voor elkaars families zouden zorgen als een van ons in de gevangenis zou worden gezet.’

De plaatselijke partijsecretaris was woedend toen hij van het initiatief hoorde, maar de partijsecretaris van de provincie, Wan Li, liet de boeren van Xiaogang begaan. En daarmee was de eerste vorm van marktwerking op het Chinese platteland, waar ruim zevenhonderd miljoen van de 1,3 miljard Chinezen wonen, een feit.

Natuurlijk wist deze meneer Wan dat de machtsstrijd in Peking tussen hervormers en conservatieven bijna was beslecht en dat het plenum van de Communistische Partij van China op het punt stond de pragmatische, bejaarde Deng Xiaoping aan te wijzen als de opperste leider. Dat gebeurde in december 1978.

Kort daarna bezocht Deng Anhui en de regio waartoe Xiaogang behoort om polshoogte te nemen. Vijf jaar later waren bijna alle volkscommunes opgeheven en vervangen door een pachtsysteem en de zogeheten dorpsondernemingen, een soort coöperaties. De allereerste pachtcontracten liepen al na vijf jaar af, maar tegenwoordig sluiten boeren en de staat overeenkomsten voor dertig jaar en kunnen boerenzonen dat pachtrecht en de opstallen erven.

Binnen enkele maanden na de opheffing van de commune in Xiaogang schoot de productie als een vuurpijl de hoogte in, binnen een jaar verbouwden de boeren het viervoudige aan granen, groentes en paddestoelen. Hetzelfde gebeurde in de rest van China dat tien jaar later zelfs granen en rijst kon gaan exporteren. Het succes van de landbouwhervormingen leidde tot versnelling van de industriële hervormingen.

Als het begint te regenen, blijkt dat het dak van de oude hut op zes plaatsen lekt. ‘Misschien moeten we dit hok ook maar slopen, hoewel, we hebben er een beetje spijt van dat we bijna alle hutten hebben gesloopt’, peinst Yan. Als het oude dorp van vijftien hutten nog had bestaan, had hij er nu een hek omheen gezet en er een museumpje van gemaakt met aan de poort een kassa.

Leuk voor buitenlandse toeristen, zoals het groepje gepensioneerde Amerikanen dat met een busje is gearriveerd en foto’s van de hut maakt. Het gezelschap uit Minnesota is tevergeefs op zoek naar het China zoals Pearl S. Buck dat beschreef in De Goede Aarde, een roman over het armzalige plattelandsleven in het pre-revolutionaire China van de vorige eeuw en Anhui in het bijzonder.

Chinese toeristen komen niet naar deze uithoek, hoewel ook Anhui beschikt over een uitstekende infrastructuur. Reizen in China is net zo gemakkelijk geworden als in de VS door de vierbaanswegen, hoge snelheidstreinen en de modernste vliegvelden ter wereld. Maar geen welvarende Chinees in de steden gaat naar het platteland tenzij voor familiebezoek of om in een luxeresort te gaan golfen. De nieuwe middenklasse gaat liever shoppen in Shanghai, waar nu ook een Disneyworld zal verrijzen, of in Hongkong, Chengdu en Chongqing, de op een na grootste stad ter wereld. En de vluchten van Air China naar New York en de resorts van Thailand en Maleisië zitten iedere dag vol met Chinese toeristen.

Er is trouwens al een museum in Xiaogang, want de historische actie van boer Yan is geadopteerd door de staat. Een paar kilometer verderop staat een modern, wit geschilderd gebouw met een kolossale parkeerplaats. Naast de bus met toeristen uit de VS parkeren tien zwarte Audi’s. Alleen regeringsfunctionarissen rijden in dit type auto.

Het blijkt de gouverneur van de provincie zelf te zijn, de hoogste partijfunctionaris en bestuurder van Anhui met in zijn gevolg twee cameraploegen. De gouverneur, een relatief jonge, hoogopgeleide technocraat, wordt in het museum geïnterviewd over de zegeningen van dertig jaar opendeurpolitiek. Voor boer Yan heeft hij geen tijd, want hij spurt na gedane zaken naar zijn limousine, zonder hem te herkennen of een handje te geven.

De expositie bevat historische foto’s van broodmagere boeren, uitgemergelde kinderen en verdroogde, gespleten landerijen. De politieke boodschap is dat de Culturele Revolutie van Mao Zedong niets dan ellende opleverde, maar dat alles is goed gekomen dankzij de ‘correcte koerswijzigingen’ van zijn opvolgers.

Het pièce de résistance is een groot, gebeeldhouwd tableau van stoere mannen met opgerolde hemdsmouwen. De figuur in het midden, een kerel met een scherpe, masculiene kaaklijn, gespierde armen met opgezwollen aderen, oogt superfit.

Yan Hongchang, die onafgebroken een smeulende sigaret in zijn hand heeft, moet lachen om de opmerking dat zijn in brons gegoten evenbeeld oogt als een olympische atleet, helemaal klaar om tijdens Peking 2008 de gouden plak gewichtheffen te veroveren.

‘Pfffff, ik was nog magerder dan nu.’

Hij spuugt op de witmarmeren vloer rechts naast zijn standbeeld.

‘Als het beleid van Mao was voortgezet, stond ik hier nu niet. Dan was ik dood geweest, vermoedelijk gestorven in de gevangenis. Wij hebben alles te danken aan leider Deng Xiaoping. Ik had hem graag ontmoet en de hand geschud toen hij hier op bezoek was, maar ik lag toen in het ziekenhuis.’

Stel dat hij nog zou leven en hier vandaag op bezoek komt. Wat zou u dan tegen hem zeggen?

Met een nieuwe peuk in zijn mond: ‘Ik zou hem bedanken en ik zou hem vragen om meer boeren rijk te maken. Er is eten, iedereen kan zich kleden, niemand loopt meer rond in lompen en op blote voeten of katoenen schoenen, dat is allemaal rijkdom. Er is heel veel verbeterd, iedereen woont hier nu in een stenen huis, maar er is ook veel corruptie en armoede.’

En: ‘De ontwikkelingen gaan hier te langzaam. Het heeft erg lang geduurd voordat we konden mee profiteren. We willen nu nieuwe producten verbouwen, zoals druiven voor de nieuwe wijnmakerijen en organische paddenstoelen, want daar betalen ze in de luxesupermarkten van Nanjing en Shanghai veel geld voor. Meer dan voor graan en rijst. Maar het duurt lang voordat we daar toestemming voor krijgen. Het beste is als wij zelf eigenaar van het land zijn worden.’

En stemrecht? Dorpsverkiezingen? Hij maakt een afwerend gebaar en kijkt om zich heen of iemand de vraag over politieke hervormingen heeft gehoord. ‘Naah, eerst rijk worden, dat is veel belangrijker, ik heb geen problemen met de partijsecretaris hier in het dorp.’ Die partijsecretaris, een jonge kerel, rijdt in een kleinere auto dan boer Yan.

‘Ik wilde, ik moest eigen baas worden’

Precies dezelfde officiële foto, maar dan zonder rouwrand, hangt aan de muur van het kantoor van meneer He Bing, eigenaar van een schoenenfabriekje en investeerder te Guangzhou (Kanton). De opperste leider wordt op andere foto’s aan de muur omringd door het plaatselijke partijkader tijdens zijn tweede ‘Zuidelijke Rondreis’ in 1992. Helemaal links achteraan, nog achter de laagste leden van het ontvangstcomité, staat een tengere, jongensachtige man.

‘Dat ben ik’, wijst meneer He. ‘Ik was uitgenodigd omdat ik samen met drie andere zakenmannen als eerste in China miljonair was geworden. Ik mocht vertellen hoe ik dat gedaan had, maar wat hij terug zei kon ik niet verstaan, want hij sprak in het dialect van Sichuan. Zijn dochter zei dat hij zei: “heel goed”.’

Het verhaal van meneer He is een successtory en als hij de VS had gewoond was er allang een boek over hem en zijn familie geschreven. Geboren in het oorlogsjaar 1943 leerde hij het schoenmakersvak van zijn vader, die een grote winkel en een werkplaats bezat. He senior verkocht in de jaren ’20 van de vorige eeuw als een van de eerste lederen schoenen. Hij kopieerde de modellen door in de haven dagenlang de schoenen van ontschepende toeristen en overzeese Chinezen te bestuderen.

In 1953 kreeg de oude He van de communisten te horen dat zijn familiebedrijfje met dertig werknemers opgeheven werd omdat het particuliere bedrijfsleven ‘als de staart van het kapitalisme afgehakt moest worden.’

He senior stierf zes jaar later, gebroken, vernederd en bankroet geplunderd door de maoïsten. He junior, toen 17 jaar oud, ging de staatsschoenenfabriek in, in de beklemmende wetenschap dat hij daar de rest van zijn werkend leven zou slijten om dan zo rond zijn 55-ste afgedankt te worden met een armzalig pensioentje.

De dood van Mao en de herrijzenis uit het politieke graf van Deng veranderde zijn leven.

Deng wees gebieden in het zuiden van China aan als de nieuwe economische ontwikkelingszones waar de wetten van de markteconomie toegepast mochten worden. In deze zones werd de planeconomie afgeschaft.

He Bing aarzelde in 1979 geen moment en nam als een van de eersten ontslag om met geleend geld – driehonderd euro volgens de huidige wisselkoers – zijn eigen fabriekje te starten. ‘Ik wist dat ik hele goede schoenen kon maken en ik wist dat niemand nog op katoenen schoenen wilde lopen als zij goede, goedkope leren schoenen konden krijgen’, vertelt hij kettingrokend.

Hoe kon hij zo dom zijn ‘de ijzeren rijstkom’ weg te gooien, vroegen zijn collega’s en buren. ‘Ik wilde eigen baas zijn, ik moest de baas zijn om de schoenen te maken zoals ik vind dat ze gemaakt moeten worden. Ik was in de staatsfabriek diep gefrustreerd geraakt. Je kon er geen promotie maken, ik zat al heel snel in de hoogste loonschaal en het werk was saai. Ik moest het proberen.’

Zijn jongste zoon, met witte oordopjes van een iPod in zijn oren, serveert hete thee en maakt voor zijn website een video-opname van ons gesprek. Midden op tafel heeft hij voor de grap twee vlaggetjes geplaatst, de Nederlandse driekleur en de Chinese rode vlag met sterren. In het keukentje van zijn kantoor wokt de ayi (huishoudster, letterlijk tante) spinazie met knoflook, kip, eend en ribbetjes.

‘Wij verloren ons bedrijf door de vele fouten van leider Mao, maar we konden ons bedrijf weer opbouwen dankzij de brede, correcte visie van leider Deng. Leider Deng had in Frankrijk gewerkt en gestudeerd, leider Mao had alleen maar de Sovjet-Unie bezocht. Deng begreep dus beter hoe de wereld in elkaar zat’, analyseert schoenmaker He.

In 1985, een jaar voordat Deng Xiaoping de VS bezocht en op de Amerikaanse televisie verklaarde dat ‘rijk worden geen zonde is, omdat socialisme niet te verenigen is met het pauperdom’, was schoenmaker He al een vermogend man. Hij behoorde tot de eerste vijf miljonairs van China.

He Bing heeft een dag eerder acht miljoen euro geïnvesteerd in een Taiwanees-Chinees biotechnologisch bedrijf dat medicijnen tegen long- en borstkanker gaat ontwikkelen. Hij denkt met dat bedrijfje een cashcow te hebben ontdekt, weten we twee sigaretten later.

Bulderend van het lachen vertelt hij hoe een partijfunctionaris in 1988 hem adviseerde zich wat beter te kleden. Wat zouden hoge omes en buitenlandse bezoekers wel niet denken als hij er bij liep als een pauper. Verhuizen vanuit de bovenwoning in het overbevolkte appartementencomplex in het centrum van Guangzhou naar een van de nieuwe villawijken met door Chinees-Amerikaanse architecten ontworpen paleizen, is sinds een paar weken een gesprek in de familie He. Mevrouw He krijgt genoeg van de luchtvervuiling in het centrum en van het lawaai van optrekkende vrachtwagens, hijskranen, drilboren en sloophamers.

Voor het flatgebouw wordt een nieuwe metrolijn aangelegd en aan de overkant verrijzen nieuwe kantoren, die de ‘oude’ in 1991 gebouwde kantoren vervangen. Het is in deze straat, net als in iedere andere Chinese stad of streek nooit meer stil geworden sinds Deng zijn landgenoten ontketende.

‘Er is veel lawaai, maar ik wil hier niet weg. Wat moet ik in zo’n villa, ver van mijn winkels en mijn vrienden en mijn relaties. Ik ken al die Hongkong-Chinezen en Chinese Amerikanen niet’, bromt He.

Over dat netwerk en zijn relaties met de overheid wil hij weinig kwijt, maar dat zijn succes niet alleen te maken heeft met de kwaliteit van zijn schoenen en de loyaliteit van zijn klanten staat vast. Met succes navigeren door het labyrint van de bureaucratie in de meest turbulente tijd in het Wilde Oosten kunnen alleen de meest gewieksten onder de zakenlieden.

Hij zucht als ik aandring om een voorbeeld van corruptie te geven: ‘Okay, natuurlijk zijn corruptie en bureaucratie een enorm probleem, je moet heel veel goede relaties en geduld hebben om de meest simpele vergunningen te krijgen. Een keer moest ik 26 dagen lang iedere dag naar een ambtenaar om een reisvergunning te krijgen. Maar ik heb nooit cash op tafel gelegd, ik ben er altijd pratend uitgekomen.’

Er is aan u nooit om een gift gevraagd? ‘Natuurlijk, maar dat was voor goede doelen. Ik steun allerlei liefdadigheidsorganisaties. Dat voel ik als mijn plicht en daarmee laat je blijken dat je vrienden op je kunnen rekenen.’

Hij laat nog even de winkel beneden zien. Een ruime, luchtgekoelde zaak met een enorme keuze aan handgemaakte schoenen waarvoor je in Amsterdam meteen duizend euro betaalt. Door de bouwsteigers van de metro is de zaak onbereikbaar en er zijn geen klanten. Meneer He haalt zijn schouders op. ‘Dit is China, hier wordt altijd gebouwd of verbouwd.’

Aan de muren hangen zwart-witte afdrukken van foto’s van het vooroorlogse Kanton en de havens aan de Parelrivier. De riksja’s, sampans en jonken op de oude foto’s zijn helemaal uit het Chinese beeld verdwenen, net als lange staarten, baarden en Mao-pakken.

‘China is onherkenbaar veranderd. Mijn vader zou zelfs hier verdwalen’, mompelt meneer He. Op een van de foto’s wijst hij de winkel en werkplaatsen van zijn vader aan. Daar zijn nu een Starbucks, een nichtencafé en chique kapperszaak gevestigd. Jonge Chinezen drinken er café lattes en surfen onbelemmerd over het net en mevrouwen laten zich door androgyne jongens coifferen.

Het is nog niet eens zo lang geleden dat de veteranen van Mao, ook Deng Xiaoping, tekeer gingen tegen ‘de spirituele vervuiling’ in de vorm van ‘westerse haarstijlen, decadente kleren, hoge hakken en schreeuwerige muziek en lichtreclames uit Hongkong.’ Er breekt in modern China opstand uit als muziek, mode en de jacht op luxemerken verboden zou worden.

Op de Parelrivier, de economische ader van de wereldeconomie, varen nu boten met lichtreclames langs de luxueuze appartementsgebouwen en villa’s. Containerschepen met goederen voor de hele wereld glijden langzaam voorbij. Op de boulevard langs de rivier flaneert de beau monde van Guangzhou langs de stalletjes met soep, thee, ijs en snacks. Bedelaars, soms met de vreselijkste verminkingen, worden hardvochtig genegeerd. Op de verkeersweg wringen BMW’s, Audis, Toyota’s en een enkele Maserati zich tussen de taxi’s en bussen.

In hotel De Witte Zwaan op het Shamian-eiland, het eerste postcommunistische hotel van de stad en een oase voor kapitalistische pioniers, laten in het Kantonese restaurant zes Chinese en Taiwanese zakenmannen een fles Chateau Margaux van 36000 yuan (3600 euro) ontkurken door meisjes in superstrakke zijde jurken die geruisloos om de gasten zweven. In de verte dreunt vaag een pneumatische boor.

‘Ik voelde mij helemaal niet uitgebuit’

‘Behalve een gele zandvlakte met een fabrieksgebouw was hier helemaal niets.’ Mevrouw Li Huilian maakt een zwaaiend gebaar over de stad Shenkou en de Diepe Baai die het Chinese vasteland hier scheidt van Hongkong.

Dit is de kraamkamer van het Chinese staatskapitalisme. Dertig jaar geleden woonden hier in de dichtbegroeide heuvels vissers. We kijken nu uit over een van de grootste containerhavens van Azië en in de baai wordt op een kunstmatig eiland de grootste reparatiewerf voor olie- en LNG-tankers ter wereld aangelegd.

Shenkou was uitgekozen omdat de landprijzen laag waren, Hongkong nabij en de baai toegankelijk was voor de grootste zeeschepen. Bovendien hoefde hier niet gevreesd te worden voor politiek en bureaucratisch verzet.

Mevrouw Li, toen achttien jaar, en negentig andere meisjes uit honderden kilometers westelijk gelegen dorpen in de provincie Guangdong arriveerden in drie bussen toen de eerste buitenlandse fabriek, het Japanse Kaida Toys Company, nog niet klaar was. Er zouden nog miljoenen migrantenwerkers volgen.

‘We schrokken allemaal, veel meisjes huilden want ze hadden meteen heimwee en het was er vies en er was geen heet water’, herinnert mevrouw Li zich nog. ‘Ik denk dat zeker zeventig procent van de meisjes na een week terug naar huis ging, want ze misten hun families en vonden het werk te zwaar. Maar ik was vastbesloten het zeker een half jaar aan te zien.’

Vijftien jaar lang monteerde zij aan de lopende band elektrische gitaren, autootjes, vliegtuigjes, pratende poppen en ander gecompliceerd speelgoed voor Japanse, Amerikaanse en Europese kinderen. Zij woonde met honderden andere meisjes en vrouwen in een van de slaaphuizen van de fabriek en at goedkoop in de kantine.

‘Ik verdiende in de eerste maand door ’s nachts en op zondagen te werken al 200 yuan (20 euro) per maand. Dat was zes keer zoveel als mijn ouders samen verdienden in ons dorp. Ik was daar heel trots op en ik voelde mij helemaal niet uitgebuit’, vertelt zij monter.

‘Veel meisjes hielden het niet vol, het was ook zwaar werk, maar ik voelde mij bevrijd. In ons dorp was niets, we mochten niets, er kon niets, want er was geen geld. Het was altijd donker en somber.’

Daarmee is de vasthoudendheid van de elegante, zorgvuldig opgemaakte vijftigplusser niet helemaal verklaard. Want: ‘Mijn grootvader had zijn fortuin vergaard in Los Angeles en was in 1925 teruggekeerd naar China. Hij bezat landerijen, ook in ons dorp. En mijn vader kreeg zijn opleiding van de jezuïeten in Kanton. Dus toen de communisten aan de macht kwamen, kregen zij grote problemen.’

En vervolgt zij na enig slikken: ‘Een groot deel van mijn familie vluchtte naar Hongkong. Mijn opa stierf en mijn vader moest van 1949 tot 1979 op het land werken. Mijn oma is tijdens de Culturele Revolutie heel erg gepest, zij werd iedere dag bespuugd en moest met teksten als “Ik ben een kapitalist” door het dorp lopen. Ik wist altijd wanneer dat was gebeurd, want dan zat zij in haar stoel te huilen. We hebben die tijd overleefd dankzij de hulp van onze familie in Hongkong.’

Haar ouders wonen nu bij haar in. ‘Mijn vader zegt iedere dag hoe blij hij is dat China zo veranderd is. Hij is gezond en gelukkig. Hij zegt wel dat er nog heel veel verbeterd kan worden in China, want we zijn nog niet zo vrij als in Hongkong of in het Westen, hoewel het hier in Shenkou al veel beter is dan in andere gebieden.’

Mevrouw Li nam in 1993 ontslag bij Kaida Toys, vestigde zich als schoonheidsspecialiste en opende een restaurant. Het Kantonese eethuis mislukte en zij stapte over naar het tweede verzekeringsconcern van China, Ping An (Veiligheid). Zij is inmiddels gepromoveerd tot senior manager sales met een salaris inclusief bonus van 30.000 euro per jaar.

Haar broer en zus die ook in de fabriek zijn begonnen, werken bij Chinees-Amerikaanse ondernemingen en verdienen meer dan zij. Alle drie behoren zij tot de groep van vierhonderd miljoen Chinezen die dank-zij de opendeurpolitiek de armoede zijn ontstegen. ‘We hebben het inderdaad niet slecht zo gedaan’, lacht zij als zij mij in haar Toyota Corolla afzet bij het kantoor van China Merchants aan de baai.

‘Wereld aan de zee’

Vanuit zijn kantoor op de twaalfde verdieping kijkt meneer Gu Li Ji, bestuursvoorzitter van China Merchants Technology Holdings, uit op de zeestraat, Hongkong en het uitgaanscentrum van Shenkou. Te midden van de Italiaanse, Japanse en Kantonese restaurants en de parken met palmbomen ligt, op het droge, een wit geschilderd passagiersschip, de Cruise Inn.

‘Toen we hier kwamen in ’78 was er niets. Waar moesten we slapen? Waar moesten we gasten ontvangen en zaken doen? We hebben toen een oud Frans passagiersschip gekocht en dat hier afgemeerd’, legt meneer Gu uit. De vier reusachtige karakters op de brug van het hotelschip zijn geschreven door Deng Xiaoping tijdens zijn bezoek aan Shenkou in ’84.

‘Wereld aan de zee’ kalligrafeerde Deng op een groot vel papier. Meneer Gu heeft de foto van de schilderende leider aan de muur hangen. Een van de jonge mannen op de achtergrond is hijzelf, toen nog secretaris van de directie. ‘Ik was een onbetekenende notulist.’

De andere, wat oudere man op de foto is meneer Liang Xian, hoogleraar economie en adviseur van CIMC, de China Merchants-tak die containers maakt.

Gu: ‘De tekst “Wereld aan de Zee” hebben wij geïnterpreteerd als een teken dat leider Deng het economische experiment in Shenkou steunde. Hij zei namelijk niet zo veel. Hij rookte alleen maar Pandasigaretten en luisterde naar het verslag van onze resultaten.’ Ook Gu kon de in Sichuan geboren revolutionaire kameraad van Mao niet goed verstaan. Deng sprak sowieso weinig en dan nog het liefst in oneliners.

Professor Liang: ‘Ik herinner mij dat hij na het diner met maotai wijn wat spraakzamer werd. We weten nu, achteraf, dat hij zich grote zorgen maakte over de traagheid waarmee de economische ontwikkeling op gang kwam. Er was veel verzet tegen de opendeurpolitiek, omdat sommige groepen vreesden voor de ondermijning van het socialisme. Bovendien steeg de inflatie en leverden investeringen in oude staatsindustrieën niets op.’

En: ‘We weten nu ook dat hij helemaal geen masterplan had of zoiets. Hij was er alleen van overtuigd was dat China zichzelf in hoog tempo moest moderniseren en de deuren moest openen naar de wereld. Dat was ook de betekenis van de tekst “Wereld aan de Zee”.’

Aan de muur hangen foto’s van de ontwikkeling van de havens van Shenkou, Shenzhen, Shanghai en Qingdao, alemaal bedrijven van China Merchants of havenondernemingen waarin China Merchants participeert.

De keuze om China Merchants te ontwikkelen tot een van belangrijkste maritieme ondernemingen van het land lag voor de hand, zoals het zuiden van China, het gebied van Hongkong en de Parelrivierdelta, een logische keuze was om als motor van de economische ontwikkeling te dienen. Immers, Peking is ongunstig gesitueerd en in Shanghai, waar de revolutie ooit was begonnen, zou de ontwikkeling zijn vastgelopen in politieke en bureaucratische strijd. China Merchants in Hongkong was bovendien het enige, internationale scheepvaartbedrijf van enige omvang dat nog in handen was van de Chinese staat toen Mao stierf.

‘China Merchants, zo redeneerde Deng, had bovendien ervaring in de omgang met buitenlanders, want het bedrijf was in 1872 gesticht door Li Hongzhang die van de keizer opdracht had gekregen de deuren van China te openen’, legt professor Liang uit. Deng putte dus uit het arsenaal van een van de laatste keizers van de Qing-dynastie.

Bestuursvoorzitter Gu: ‘Deng was tot de conclusie gekomen dat de planeconomie China bijna had vernietigd, we waren in 1978 eigenlijk gewoon bankroet. Hij zag ook dat de planeconomie in de Sovjet-Unie niet werkte. En hij zag dat de economieën van Japan, Zuid-Korea, Hongkong en Taiwan boomden. Hij was geïmponeerd door het enorme succes van Japan. Ik heb hem een keer horen zeggen “we zijn misschien idealisten, maar we zijn ook realisten”.’

Professor Liang knikt instemmend: ‘Socialisme is niet gelijk aan een planeconomie en ik denk ook dat Marx zijn boek niet geschreven had als hij ooit China had bezocht. We hebben een grote bevolking, een groot land en we hebben geen grondstoffen. De deuren naar de wereld moesten wel worden opengezet.’

Sedertdien is China Merchants Holding uitgegroeid tot een van de vier belangrijkste Chinese staatsondernemingen, met belangen in alle havens, de scheepvaartsector, maar ook de bedrijven die bruggen en tunnels bouwen, tolwegen exploiteren, satelliettechnologie ontwikkelen. China Merchants Group heeft ook een eigen bank en speelt een steeds grotere rol in de Chinese projecten in Afrika en het Midden-Oosten.

In feite is het staatsbedrijf China Merchants Group, met een reeks beursgenoteerde dochterondernemingen, een gedaante van de Chinese eenpartijstaat.

Bestuursvoorzitter Gu en professor Liang fronsen bij deze observatie. ‘We hebben geen monopolie. We opereren strikt volgens economische wetten.’

Maar is het denkbaar dat een buitenlandse investeerder een meerderheidsaandeel in China Merchants Group of een andere strategische sector verwerft?

Beiden schudden ontkennend het hoofd. De grote staatsondernemingen in cruciale sectoren zoals energie, trans port, financiën en media zijn afgeschermd. Alleen buitenlandse minderheidsdeelnames in dochterbedrijven zijn gepermitteerd. Zelfs Rupert Murdoch, die miljoenen investeerde en met een Chinese hertrouwde slaagde er niet in om met een eigen onderneming door te dringen in de Chinese huiskamers.

Liang, de hooggeleerde econoom, vertolkt de partijlijn: ‘We moeten eerst nog veel leren en onze posities in de wereldmarkt versterken. Misschien over twintig of vijftig jaar, als we de periode van zwakte hebben overwonnen, kunnen we onze gevoelige sectoren openstellen. Wat men ook zegt in het Westen, China is nog lang geen supermacht, we zijn een ontwikkelingsland dat nog een heel veel uitdagingen zal moeten overwinnen.’

Dat is waar, maar wereldmachtstatus is onder handbereik. De economie is gegroeid van 200 miljard euro in ’78 naar 3300 miljard euro in 2008. Nog nooit is een land in zo’n korte tijd zo snel gegroeid. Er is een mondige middenklasse ontstaan. Er wordt gereisd en het internet groeit snel. Is de tijd niet aangebroken voor nieuwe, vooral politieke hervormingen, ook om de economische ontwikkeling duurzaam te maken

Meneer Gu kijkt verbaasd: ‘Mmmm, politieke hervormingen? Sorry, dat is een te algemene vraag voor iemand in mijn positie.’

Professor Liang knikt en zwijgt.

‘Ik voel dat het internet iedere dag sterker wordt, maar...’

Mao, Isaac Mao, heeft met politieke vragen geen enkele moeite.

‘Ik zie de kracht van internet iedere dag toenemen, ik voel het en daardoor verandert China. Ik zie dat steeds meer bloggers politieke interesse tonen. Het internet is niet alleen het domein van de entertainers, de shoppers en de pornoverkopers’, zegt de 30-jarige internetondernemer.

‘Maar of dat nou tot politieke hervormingen zal leiden? Misschien, maar dat is helemaal niet zo zeker, zoals in het Westen wel eens wordt gedacht’, peinst Isaac Mao, de oprichter van CNBlog.org en Social Brain Foundation, een digitaal onderzoeksbedrijf.

De socioloog woont en werkt in Shanghai, de havenstad die zich van Deng Xiaoping pas in 1992 mocht ontwikkelen, maar dat vervolgens in een adembenemend tempo heeft gedaan. Voor internetters is Shanghai samen met Guangzhou een van de vrijste steden van China. Mao – de familienaam staat op de 76-ste plaats van de honderd meest voorkomende achternamen – volgt als sociale wetenschapper de discussies over internet, economische ontwikkeling en democratie. Debatten die vooral in de VS en Europa worden gevoerd.

‘Er is censuur, maar ik denk dat niet meer dan vijf procent van de sites en de bloggers daar echt last van heeft. Het aantal internetters is zo snel gegroeid; er zijn nu 230 miljoen gebruikers en dat zullen er in 2013 500 miljoen zijn. Dat wordt technisch steeds moeilijker om allemaal te controleren’, denkt hij.

Ook van de zogeheten Great Firewall 2.0, de veronderstelde digitale muur om het Chinese internet, heeft hij weinig last. Dat is trouwens een onjuiste omschrijving van wat er aan de hand is, vindt hij.

Het Chinese en wijdere Chineestalige internet zijn niet van de rest van de wereld afgescheiden, integendeel zelfs, zij maken er een wezenlijk onderdeel van uit. Wel worden sommige sites met politiek gevoelige boodschappen of namen van verboden groepen geblokkeerd, maar dat is iets anders dan een totale scheiding tussen China en de rest van de wereld.

Mao, een snelle prater die tegelijkertijd op zijn laptop mailt, skypt en twittert, werd geboren nadat Deng de macht had veroverd.

‘De nieuwe middenklasse, sterke bedrijfssectoren en andere belangengroepen zouden machtiger worden en meer invloed op het beleid en dus meer openheid opeisen. Dat zou leiden tot democratische hervormingen, omdat een autoritair regiem zo’n ingewikkelde maatschappij niet meer centraal zou kunnen besturen’, zo vat hij samen wat hij heeft gelezen in de boeken die hij meestal online bestelt in Hongkong.

Mao: ‘Er is heel veel onvrede over de inflatie, het dure varkensvlees, de milieuvervuiling en over de manier waarop land wordt afgepakt van boerendorpen door bedrijven. 61 procent van de kritische blogs gaat daarover. Maar dat zegt nog niet zoveel over de kans op veranderingen, vrees ik. Het zegt vooral iets over de oude media, tv en kranten, die al die grieven verzwijgen. Met dat soort kritiek kunnen de autoriteiten heel goed omgaan, dat hebben we na de aardbeving in Sichuan gezien, en er is geld genoeg om problemen af te kopen.’

Hij was in ’89 te jong om deel te nemen aan de grootschalige studenten- en arbeidersprotesten die na wekenlange demonstraties op het Tiananmenplein in Peking bloedig werden onderdrukt. De oude revolutionair Deng wilde onder geen voorwaarde concessies doen aan de demonstranten en streed om de alleenheerschappij van de CPC te behouden. Duizenden werden gedood of stierven in kampen.

‘Ik denk dat de leiders van nu veel slimmer zouden reageren. Ze laten het niet zover komen. Dat zie je aan de manier waarop ze met kritiek omgaan. Zij adapteren veel sneller, ze buigen mee, ze tonen compassie, ze reageren, ze zijn veel flexibeler als het om details gaat. President Hu Jintao gaat zelf het internet op om vragen te beantwoorden en premier Wen is op Facebook te vinden. Ik weet zeker dat de president de grote blogsites veel vaker bekijkt dan hij toegeeft. De leiders gebruiken het net om te volgen wat er leeft’, meent Mao te weten.

Mao voegt er aan toe dat de huidige generatie Chinese leiders beter is opgeleid dan de communistische strijders die de Volksrepubliek hebben gesticht. Connecties, afkomst en loyaliteit aan de partij spelen nog steeds een grote rol, maar in toenemende mate zijn opleiding, ervaring en merites bepalend voor een carrière in de toppolitiek.

Het internet lijkt dus vooral te fungeren als een echokamer van grieven en onlustgevoelens, als een ventiel dat naar behoeven open en dicht gedraaid kan worden als de spanningen over de soms verwoestende groei en de tegenstellingen tussen arm en rijk en stad en platteland te hoog oplopen, maar niet als motor van politieke verandering. En als de kritiek in de ogen van de autoriteiten te ver gaat, wordt een site geblokkeerd of een blogger opgepakt.

‘Ja, zo gaat dat. De grenzen zijn vaag en veranderen steeds, maar wie oproept tot concrete actie tegen de partij en wie een eigen organisatie vormt, komt in de problemen. Bloggers vormen natuurlijk niet zo’n groot risico, want die zitten thuis achter hun computer, ze gaan de straat niet op. Dat zijn nerds. Het zijn trouwens vaker lokale bazen zijn die zo dom zijn om bloggers op te pakken. Ze pakken er een op en tien anderen komen er voor in de plaats.’

Dus geen grote, democratische hervormingen, zoals kiesrecht, in de nabije toekomst?

‘Welnee, want de groeiende middenklasse heeft geen belang bij chaotische toestanden. Deze middengroepen zijn het er ook mee eens dat de overheid het internet scherp controleert op porno en “slechte” buitenlandse invloeden. Kritiek wordt snel uitgelegd als anti-Chinees, als verraad en pro-westers.’

Mao denkt nog even na en klapt dan zijn laptop dicht: ‘De komende twintig jaar zal dat niet gebeuren, tenzij de economie instort. Als de groei heel sterk afneemt en er daardoor chaotische toestanden ontstaan dan is alles mogelijk, maar dat hoop ik beslist niet. De geschiedenis leert waartoe chaos in China kan leiden. Ook voor de buitenwereld is het van groot belang dat China zich op harmonieuze wijze ontwikkelt.’

    • Oscar Garschagen