Zonder zorgen naar de schuilkerk

Ons land staat te boek als ‘calvinistisch’. Maar in de 17de eeuw maakte de katholieke kerk hier een opvallende bloei door.

Maria Hemelvaart, schilderij door Claes Moeyaert, 1649. Dit schilderij werd besteld voor de Heilige-Johannes-en-Ursulakerk aan het Begijnhof te Amsterdam. Na vele omzwervingen hangt het daar weer. Heilige-Johannes-en-Ursulakerk

Charles H. Parker: Faith on the Margin. Catholics and Catholicism in the Dutch Golden Age. Harvard University Press, 332 blz. € 37,–

Het beeld moet worden bijgesteld. De Republiek, die uit de strijd tegen de absolutistische en zeer katholieke Coninck van Hispanien is geboren, was geen calvinistische staat en de opstandelingen niet in de regel reformatorisch. Het bijzondere is nu juist de religieuze veelzijdigheid van deze samenleving. Die veelzijdigheid is niet in de 19de eeuw van de Verzuiling ontstaan, maar al in het vroeg moderne Europa. En dat is hoogst uitzonderlijk.

‘Geloof in de marge’ noemt de Amerikaanse historicus Charles H. Parker zijn studie over de katholieken in de Gouden Eeuw. De marges zijn staatkundig van aard. Want katholieken werden in de Republiek hooguit geduld. Hun geloof daarentegen is allerminst marginaal. Parker laat goed zien dat de katholieken zowel in aantal als in de kwaliteit van hun godsdienst in zekere zin ook een gouden eeuw hebben gekend. Onder invloed van de contrareformatie, maar ook in een eigen Nederlandse inspiratie.

De Amerikaanse historicus heeft eigen onderzoek gedaan, maar kon zich ook baseren op een overvloedige Nederlandse literatuur. De kracht van zijn boek is de oorspronkelijke visie van een buitenstaander. Het katholicisme was niet alleen de onderdrukte godsdienst, maar kende ook een herleving van inspiratie en verinnerlijking. En de Republiek was, in de Europese context van de vroegmoderne tijd, door een aparte verhouding tussen kerk en staat uitzonderlijk.

Bijzonder in Nederland was dat hier niet de regel gold dat de landsheer zijn religieuze overtuiging verplicht stelde voor zijn onderdanen volgens het beginsel van cuius regio eius religio (van wie het land is, van hem is de religie). Dat was in 1555 de formule geweest om in de landen van het Heilige Roomse Rijk een godsdienstvrede te bewerkstelligen. Daar week men hier van af. Want in de Unie van Utrecht in 1579, de constitutie van de Noord-Nederlandse gewesten, was juist gekozen voor de vrijheid van godsdienst.

De Republiek was dus officieel een pluralistische staat. De praktijk was daarmee formeel in strijd. De kerk van Calvijn was een publieke kerk en kon op de heersende regenten druk uitoefenen om de paapse afgoderij uit te bannen. Die gaven daaop een dubbelzinnig antwoord. De katholieke godsdienst kon worden getolereerd, als ze, niet in het openbaar, maar in schuilkerken, werd beleden. De gevraagde uitbanning kon worden afgekocht met speciale belastingen. Zo nu en dan werd er een priester gevangen gezet of een katholieke neringdoende gemolesteerd. Maar het ongerief was nooit zo groot dat er sprake was van een kerkvervolging.

Voor de katholieke tijdgenoten moet het contrast groot zijn geweest, ook al is de Reformatie niet in één jaar voltooid. In hun steden liepen ze op weg naar hun schuilkerk langs de fraaie middeleeuwse kerken die voortaan voor de calvinistische eredienst bestemd waren, en langs de kloosters die waren genaast ten dienste van stedelijke instellingen, zoals een weeshuis of een universiteit. De uitbundigheid van weleer maakte noodgedwongen plaats voor een verinnerlijking. Dat is de kwaliteit van de godsdienst ten goede gekomen. Parker maakt duidelijk dat onder de druk van een vijandige omgeving het katholicisme in de Republiek zijn oorspronkelijke vroomheid terugvond.

De katholieke kerk verloor in de Republiek haar bisschoppen en werd een Hollandse Zending, die door een zogeheten apostolisch vicaris moest worden bestuurd. Het traditionele overwicht van priesters verdween. De dienstdoende pastoors waren eenlingen en vonden onderdak bij de gelovige burgers. De katholieke kerk in Nederland werd daardoor bedoeld of onbedoeld gedemocratiseerd. De leken oordeelden over hun priester en vroegen om zijn overplaatsing als de tegenstellingen te groot werden. In deze constellatie kregen ook vrouwen, met name de lekenzusters (‘klopjes’) een prominente plaats in de lokale kerk.

Parker trekt in zijn boek een vergelijking met de Moderne Devotie, de beweging van priesters en leken voor een zuivering en verinnerlijking van het geloof in de 14de eeuw. Deze had haar bakermat in de steden langs de IJssel, met name in Deventer en Zwolle. Het is verleidelijk om deze te interpreteren als een vaste uiting van religieuze cultuur in de Nederlanden, waarvan de invloed permanent is. De Hollandse kerk werd bovendien in de 17de eeuw geteisterd door een stroming van de zogeheten jansenisten, die een rigoureuze moraal en biechtpraktijk voorstonden. Men was al omgeven door een officiële oppositie, nu werd men ook door een schisma innerlijk verscheurd. Na lezing van Faith on the Margin blijft men achter met de vraag: was de katholieke kerk in de Republiek in spiritueel opzicht wel zo anders dan de calvinistische?

    • Jan Bank