Te weinig soldaten en geld tegen chaos en geweld

De VN willen de vrede handhaven, vooral in Afrika.

Maar het ontbreekt aan voldoende geld en militairen.

In Eritrea zijn ze weggepest.

Een vrouw en haar kinderen in hun verwoeste woning in het Ethiopische grensplaatsje Zalambessa. Foto AP A woman and her children clean the floor of her destroyed house in Zalambessa, Ethiopia, on the border with Eritrea, in this file picture taken on Friday, Nov. 11, 2004. The city was almost entirely destroyed during the last war with Eritrea and most of its inhabitants still live in dire conditions in tents provided by the Red Cross or in destroyed houses. Ethiopia expressed concern Tuesday after the U.N. announced it was pulling peacekeepers out of almost half their border posts along the border that separates Ethiopian and Eritrean armies. (AP Photo/Boris Heger) Associated Press

De vredesmacht van de Verenigde Naties heeft zich door Eritrea laten wegpesten. De VN-Veiligheidsraad besloot woensdagavond unaniem de vredesmissie langs de grens tussen Eritrea en Ethiopië officieel te beëindigen, nadat de VN-militairen ter plaatse steeds meer beperkingen waren opgelegd door Eritrea.

Twee jaar geleden mochten de VN geen helikopters meer inzetten om toe te zien op de naleving van de grensafspraken tussen Eritrea en Ethiopië die werden gemaakt na de bloedige oorlog die duurde van 1998 tot 2000. De VN-soldaten werden immobiel. Begin dit jaar drongen Eritrese militairen de ingestelde veiligheidszone langs de grens binnen en sneden de aanvoer van benzine voor de VN-macht af. De VN’ers moesten de zone verlaten en waren in feite door Eritrea uitgewezen. Het besluit van woensdag is dus eigenlijk een formalisering van de situatie ter plekke.

De problemen van de VN in Eritrea/Ethiopië onderstrepen de toenemende problemen met VN-vredesmissies in Afrika in het algemeen (zie inzet). Tekorten aan financiële en personele middelen, onrealistische verwachtingen en politieke spelletjes spelen de vredesmissies parten. Van de onderbezette missie in Darfur, via de door de VN-Veiligheidsraad zelf bekritiseerde missie in Zuid-Soedan, tot de missie in Oost-Congo waar blauwhelmen herhaaldelijk zijn beschuldigd van wapenhandel en verkrachting en waar Congolese rebellen en regeringsmilitairen intussen stug verder knokken. De chef van alle VN-vredesmissies, de Fransman Jean-Marie Guéhenno, waarschuwde deze week dat „de uiterste grenzen van de vredeshandhaving zijn bereikt”.

De missie op de grens van Eritrea en Ethiopië opereerde in een veiligheidszone die werd ingesteld na de bloedige grensoorlog die in 1998 uitbrak. De oorlog spitste zich toe op Badme, een slaperig dorpje op een kurkdroge savanne. De grenzen dateren uit 1900, 1902 en 1908, toen tegenstrijdige koloniale verdragen werden gesloten. In het door Ethiopië bestuurde Badme begon in mei 1998 de oorlog met een aanval van Eritrese troepen. Badme werd een symbool: wie het toegewezen zou krijgen, had de oorlog gewonnen.

Een onafhankelijke internationale grenscommissie deed in 2002 een bindende uitspraak waarbij het grootste deel van de omstreden grensstreek aan Eritrea werd toegewezen, inclusief Badme. Ethiopië negeerde deze uitspraak. Eritrea verwachtte dat de VN-soldaten Ethiopië zouden dwingen het oordeel van de commissie uit te voeren. Toen dat niet gebeurde, keerde het bewind in Asmara zich tegen UNMEE.

De oorlog tussen Eritrea en Ethiopië was de grootste conventionele oorlog in onafhankelijk Afrika. Tussen 1998 en 2000 beukten honderdduizenden soldaten in op elkaars stellingen in het onherbergzame landschap van het grensgebied, met taferelen die deden denken aan de Eerste Wereldoorlog: de soldaten werden vlees voor de kanonnen, er vielen tussen de zeventigduizend en honderdduizend doden. Maar onder de door een sterk nationalisme gedreven Eritreeërs en Ethiopiërs was het een populaire oorlog.

De oorlog om Badme is wel omschreven als een gevecht van twee kale heren om een kam. Beide landen behoren tot de allerarmste van het continent en de betwiste gebieden zijn schraal en zonder grondstoffen. De onderliggende oorzaak van de grensoorlog is het gevecht om wie de supermacht is in de Hoorn van Afrika. Eritrea en Ethiopië maken daar beide aanspraak op.

Bij het uitbreken van de strijd in 1998 spraken Eritrese ministers in hun hoofdstad Asmara hun wens uit dat de oorlog zou leiden tot de val van de Ethiopische premier Meles Zenawi. En in de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba spreekt men in regeringskringen van de noodzaak om de dictator van Asmara mores te leren.

De twee regeringen toonden zich aanvankelijk na de afscheiding in 1993 van Eritrea van Ethiopië uitstekende bondgenoten. Meles Zenawi en zijn Eritrese collega Issayas Aferworki zijn familie van elkaar. De Eritrese verzetsstrijders die in 1962 met hun oorlog tegen Ethiopië waren begonnen, hielpen Meles Zenawi zijn eigen rebellenleger opzetten en samen vochten ze tegen het militair/marxistische regime van de Ethiopische president Mengistu Haile Mariam.

Zonder een VN-macht als buffer staan beide legers nu pal tegenover elkaar in het grensgebied, soms niet meer dan een voetbalveld van elkaar verwijderd. Een klein incident kan de vlam in de pan doen slaan, waarschuwt VN-chef Ban Ki-moon. Beide landen zijn indirect al met elkaar in gevecht in Somalië, waar het Ethiopische leger de interim-regering van president Abdullahi Yusuf steunt en Eritrea de islamitische opstandelingen bewapent en opleidt. Ethiopië herbergt een coalitie van Eritrese oppositiegroepen en Eritrea assisteert bij een opstand in de oostelijke Ethiopische regio de Ogaden. De broedertwist tussen beide landen leidde zo dus uiteindelijk tot destabilisatie van de gehele Hoorn van Afrika.