Rode Kruis identificeert vermisten uit WO II

Bij een archeologische opgraving, bij het aanleggen van de funderingen van een nieuw gebouw of op een omgeploegde akker wordt geregeld een stoffelijk overschot gevonden waarvan de identiteit niet kan worden achterhaald. Ook niet als het gaat om gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog.

Daar moet verandering in komen, vindt het Rode Kruis. Dat gaat samenwerken met het leger en de politie om zo’n vijfhonderd onopgehelderde vermissingszaken uit de Tweede Wereldoorlog op te lossen. Het Rode Kruis wil van nabestaanden van vermisten een DNA-wangslijmvliesmonster afnemen en aan de hand van gegevens in de politiedatabank Vermiste Personen, die sinds 2006 bestaat, een link proberen te leggen.

Het Rode Kruis ziet „het herstellen van familiebanden en het opsporen van vermisten tijdens en na conflicten of rampen” als een van zijn kerntaken. De opsporing is mogelijk sinds de Wet op de lijkbezorging van 2006, die bepaalt dat DNA wordt afgenomen van elk aangetroffen stoffelijk overschot.