Nee, boeken brengen geen troost

Waarde Gerrit,

Je brief bracht mij de regels van de dichter die zich het paradijs als een bibliotheek voorstelde weer in herinnering:

Als ik met mijn hand over mijn voorhoofd strijk,

als ik de ruggen van de boeken streel,

als ik het Boek van de Nachten herken

Ook ik streel vaak de rug van dit of dat boek, van zins het uit de kast te halen, maar voor ik het weet verzink ik in een mijmering en dan valt mij op hoeveel melancholie er in zo’n handeling geborgen (en niet verborgen) ligt. Zo’n aanraking brengt als via magnetisme onherroepelijk een paar regels of beelden naar boven. Daar sta ik dan: mijn hoofd vol woorden en herinneringen aan woorden en mijn hart vol pijn. Nee, boeken brengen geen troost en wel hierom, zoals dezelfde dichter schreef:

Mijn boeken (die niet weten dat ik besta)

zijn net zo deel van mij als dit gezicht

Boeken weten niet dat we bestaan, inderdaad, een waarheid als een koe, zou jij zeggen, maar verdomd als het niet waar is. Liefde voor boeken is dan ook altijd eenzijdig. (Nog zo’n koe die over deze regels graast). Je hoeft je niet te verbergen of te vluchten, zoals dat gaat bij liefde voor mensen.

Een Arabische dichter heeft geschreven:

De meest waardevolle plek in de werelden

is de zadel van een rasse ros

En de beste zitgenoot van alle tijd is een boek

Ik houd van het gebruik van het meervoud van ‘wereld’ in de eerste hemistiche; deze regel is mij dierbaar, want hij doet het goed als gevleugelde uitspraak. Maar wat een eenzaamheid spreekt eruit en wat een pijn! En dat voor een dichter die legendarisch was om zijn arrogantie. Dit laatste zegt uiteindelijk niets: de gave des woords is een last: vluchten is onmogelijk.

Hoe vaak werd mij niet gezegd: „Jij weet het allemaal mooi in woorden te zeggen, maar in de echte wereld breng je er niets van terecht.” Dit, nu, heb ik nooit begrepen. Los van het pleonasme (hoe kun je iets zeggen anders dan in woorden): wat is in hemelsnaam de ‘echte’ wereld? Ik ken, echt waar, verschillende werelden, weliswaar monistische werelden, wat wil je, ik heb ze zelf moeten scheppen, maar toch allemaal echt in hun verscheidenheid.

(„He, psst, Hafid?” – „Ja?” – „Waren het vrouwen die dit zeiden?” – „Ja; mannen zeggen dat ze weliswaar geen boeken lezen zoals ik, maar wel streetwise zijn; als ze echt beledigend willen zijn, dan zeggen ze dat zij weliswaar geen intellectueel zijn, maar etc…”)

Het vervloekte is dat ik een boek altijd weet te vinden en mij kan afzonderen, maar het hart is zwak en de driften razen voort. (Een goede raad: verpand nooit je hart.)

Ik moet nu denken aan een Arabisch gedicht dat de lof zingt van eenzaamheid:

Zij verwijten mij mijn eenzaamheid en ik beantwoord hun verwijten

En als zij eerlijk waren dan zagen de bedillers de waarheid aan:

Voldoende aan de voortreffelijkheid der eenzaamheid is dat

Wanneer een mans buik benauwd wordt door wind hij hem kan laten gaan

Hoe komisch ook, dit kwatrijn raakt natuurlijk wel de essentie van gekozen zelfafzondering: de onwil om etiquette te accepteren en bij uitbreiding sociale conventies. Dit hoef ik je allemaal niet uit te leggen, maar ik voeg deze woorden toe, opdat mijn brief geen flatulent einde kent.

Liefs, Hafid

    • Hafid Bouazza