‘Mijn Koran ligt nu naast de Playboy’

„Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.” Als Kader Abdolah (in 1954 in Iran geboren als Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani) spreekt over zijn tweeluik De Koran, een vertaling en De boodschapper, een vertelling, haalt hij geregeld het motto van de Belastingdienst aan. Van auteur van geserreerde verhalen naar schrijver van bloemrijk 1001 nacht-proza, in de vijftien jaar dat Abdolah hier publiceert, veranderde Nederland en veranderde hijzelf. Een gesprek over de plek van de Koran in Nederland, en in zijn oeuvre: „Wat willen ze dan, dat mijn boek bijdraagt aan de haat?”

Kader Abdolah (l.) lezend in het ouderwetse Nederlandse kinderboek ‘De vliegende Hollander’ van P. Visser; (r.) de boekenkast van de schrijver (foto). Foto’s Vincent Mentzel Kader ABDOLAH (1954),auteur . foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Delft 30 juni 2008 Mentzel, Vincent

In de naam van Allah

hij is lief

hij geeft

hij vergeeft

Zo begint Kader Abdolah elke soera van zijn vrije koranvertaling die, samen met zijn levensbeschrijving van Mohammed, in april dit jaar is verschenen en waarvan volgens zijn uitgeverij inmiddels ruim 74.000 exemplaren zijn verkocht. ‘Lief’ – een woord dat associaties oproept met lammetjes en baby’s, dat sentimenteel is en ontwapent. Waarom koos de schrijver dit woord, waar andere vertalers eerbiedwaardiger termen als ‘barmhartig’ hanteren?

„Ik ben met die paar zinnetjes zo lang bezig geweest! Ik heb voor het Arabische woord ‘rahiem’ alle Nederlandse termen bedacht, maar ik kwam uit bij de kern. En die is: lief. Rahiem was bij mij thuis: lief. Je moeder is rahiem, je tante is rahiem. En lief was: god. Wat moet ik dan met barmhartig? Het is als met het Belastingkantoor: leuker kunnen we het niet maken, maar wel makkelijker.”

Op die lieve zinnetjes volgen telkens gruwelijke dreigementen aan het adres van ongelovigen.

„Maar dat is mijn probleem niet! Dat staat in het boek! Dat is een van de paradoxen van de Koran. Allah zegt: ik ben hard, maar ik ben ook lief. En het woord ongelovigen heeft in Nederland een heel benauwde betekenis gekregen: de ongelovigen, dat zijn wij, de Nederlanders, de niet-moslims. Maar de ongelovigen zijn eigenlijk: de ongehoorzamen, de zondaars. Dat kunnen dus net zo goed moslims zijn.”

U bent op uw vijftiende van uw geloof gevallen. U bent gevlucht uit een land waar met de Koran in de hand staatsterreur wordt uitgeoefend. In uw vroege werk speelt de Koran geen enkele rol. Maar van uw meest recente roman ‘Het huis van de moskee’ vormt hij de kern, en nu is er dan uw vertaling. Hoe heeft de Koran u beslopen?

„Als linkse, ondergrondse rebel was ik erg tegen de Koran. Ik zag de Koran als een boek waarmee moorden zijn gepleegd, een gevaarlijk boek. En na alle aanvallen op de Koran in Nederland in de afgelopen zes, zeven jaar, kropen de angst en onzekerheid van de Nederlanders over de Koran ook in mij. Maar dat stuitte me toch tegen de borst. Zo werd de Koran mijn vraag, mijn zoektocht. Ik werd gedwongen door de behoefte en de druk uit Nederland. Ik wilde de Koran onderzoeken en toegankelijk maken. Kader Abdolah moest de Koran toegankelijk maken.

„Ik heb bij mijn werk de Koran van mijn vader gebruikt, die ik kreeg toegestuurd toen hij door ouderdom niet meer kon lezen. Ik had het boek gekust en in de kast gezet, het was verder niet aan mij besteed, tot drie jaar geleden dan. In een van zijn laatste columns in de Volkskrant schreef Kees Fens over de Bijbel en de Koran als ‘het boek van de vader’. Ik heb er nog met Kees over gepraat. We kwamen tot de conclusie dat de zonen die de heilige boeken anders lezen dan hun vaders, vooruitgang maken. De zonen die de boeken exact hetzelfde lezen, zijn achterlijk.”

Wie uw debuut ‘De Adelaars’ uit 1993 vergelijkt met ‘Het huis van de moskee’ en uw Korantweeluik, ziet grote veranderingen.

„Talent heb je, stijl ontwikkel je. Ik ben in mijn jeugd beïnvloed door Amerikaanse verhalen, vooral door The old man and the sea van Hemingway, dat ik las bij mijn tante in de bergen. Ondertussen groeide ik op in het huis van de moskee, in een omgeving die doordrenkt was met de verhalen van 1001 nacht en met de Koran. Als student kreeg ik Honderd jaar eenzaamheid in handen, van Márquez, dat heeft me diepgaand beïnvloed, zoals Márquez geloof ik overal ter wereld de literatuur heeft beïnvloed. Toen kwam ik naar Nederland, en ging ik de worsteling aan met de Nederlandse taal. En uit die culturele botsing van een literatuur van 3.000 jaar oud, de Perzische, met een jong land, Nederland, dat vierhonderd, misschien maar tweehonderd jaar echte literaire geschiedenis kent, ontstond een nieuwe Kader Abdolah.”

Is er een relatie met heimwee? Het heimwee dat zo’n rol speelt in uw vroege werk lijkt nu uit uw boeken verdwenen.

„Het verlangen is er niet meer. Waarom niet? Mijn dromen geven mij antwoord. Als ik verlang naar huis te gaan, ga ik in mijn slaap of in mijn gedachten naar huis, en dat huis is veel mooier dan wanneer ik in een KLM-toestel stap en echt naar huis vlieg. Het huis dat ik verlang, krijg ik – in mijn boeken. Zelfs de doden krijg ik erbij, via mijn boeken en in mijn slaap.”

Van geserreerd bent u bloemrijk gaan schrijven. U zoekt het panorama in plaats van de introspectie.

„ Ik kwam naar Nederland op een historisch moment; het moment van de botsing tussen dit land en de migranten die er op grote schaal binnenkwamen. Toen kwam Pim Fortuyn, Balkenende, 11 september, moslimfanatici, Theo van Gogh en Geert Wilders. Dat alles heeft mij beïnvloed.”

Dat is allemaal in de wereld. Wat gebeurde er met u?

„Ik maakte grote veranderingen door. De schrijver van De Adelaars is een man uit de Perzische traditie, een man op zoek bovendien. De schrijver van Het huis van de moskee is door de Nederlandse samenleving voortgebracht. De oosterse literatuur is rond en vloeiend, zo rond als de koepels van hun moskeeën, de Nederlandse literatuur gaat van A naar B. Ik meng 1001 nacht en Nescio. Dat kan geen enkele andere Nederlandse schrijver.”

U mengt het niet, u laat het botsen. In ‘De boodschapper’ schrijft u over ontvangsten met rozenblaadjes en dadels en dan opeens staat er een ambtenarenzin als ‘ze had een goed contact met haar moeder’ of ‘Mohammed had nu voortdurend beveiliging nodig’.

„Ik moest Mohammed tastbaar maken. Mohammed is overal, maar 1 miljard moslims weten nauwelijks wie hij is. Hij geldt bij zijn vijanden als een rokkenjager, pedofiel en racist. Ik wilde hem in heldere Nederlandse taal tot leven wekken, zoals in die zin van het Belastingkantoor. Ik wilde Mohammed tot mens maken.”

In het begin schreef u om te onderzoeken, nu om iets nadrukkelijk te beweren.

„Ik was, als ik in Iran was gebleven, een korte, smalle schrijver geworden. Ik had niet de ruimte gehad om mezelf te ontwikkelen. Bij het schrijven van De Adelaars kende ik dit land nog niet, ik wist niet wat immigratie was, ik was beschadigd. Maar dit zaadje werd in de vochtige grond van Nederland geplant. Het ging groeien. Het werd groter en groter, en het wordt een heel grote boom. Ik ben heel optimistisch, heel optimistisch over de toekomst. Er is in mij een zelfbewustzijn gekomen dat er eerst niet was, zelfs niet bij mijn roman Spijkerschrift.”

Ziet u zichzelf als een profeet? In ‘De boodschapper’ lijkt Mohammeds leven af en toe verbazingwekkend veel op dat van u. U portretteert hem achtereenvolgens als politiek activist, huisvader en beroemdheid.

„Ik zie mijzelf als een mens. Ik ben een mens geworden, met de nieuwsgierigheid, de dromen, al die dingen waardoor de mens zich onderscheidt. Ik had geen plan De boodschapper te schrijven, maar tijdens het werk aan mijn koranvertaling, ontdekte ik Mohammed. En dus is de Mohammed uit De boodschapper voor 100 procent déze mens, Kader Abdolah, zoals hij ook trekken zou aannemen van ieder ander die hem zou beschrijven, en zoals hij over honderd jaar, in een andere tijd, weer anders zal worden beschreven dan nu. Maar Mohammed is ook een oermens, een universele mens, een gedreven hervormer die in een barbaarse tijd leefde.”

Zijn leven barst van de typische Abdolah-motieven, zoals het vader-zoonmotief en het spel met het schrijven zelf, het optekenen van wat onzegbaar is.

„Dit heb ik geschreven, in drie jaar tijd. Maar er ging wel dertig jaar van lezen en studeren aan vooraf. Ik ken de feiten en aan die feiten heb ik niets veranderd. Fictie bedrijf je met behulp van die feiten. Niemand heeft zich ooit in Mohammeds vrouw Ghadidje verdiept. Ik wel. Ik ging mij inleven. Ik probeerde mij voor te stellen hoe Mohammed naar binnen ging in haar huis en dan ging ik voor de spiegel staan en dacht ik: een jonge man die een oude vrouw trouwt, een vrouw met kinderen en geld. Hoe gaat die haar huis binnen? Ik ging gel in mijn haar doen, parfum hier en daar, ik poetste mijn schoenen en keek in de spiegel. Zo beschreef ik het leven van Mohammed.”

Is dat niet aanmatigend in de ogen van streng gelovigen?

„Nee. In Iran heerst de traditie van het soefisme, het Zarathustra-geloof. Wij zijn shi’ieten. Dat betekent dat er een rijke traditie is in het bestuderen van de Koran, van commentaren. Turkse of Arabische schrijvers kunnen dit niet, want zij zijn soennieten. En in de soennitische traditie is de Koran onaantastbaar, en dus ook onvertaalbaar.”

Boze reacties of bedreigingen zijn uitgebleven.

„Dat is de slimheid van Kader Abdolah. Wat ik zeg is honderd keer erger dan wat Geert Wilders beweert. Ik zeg: dit boek is niet van Allah, dit boek is van Mohammed. Maar ik heb overal ook uitgebreid gezegd dat ik mijn vertaling uit liefde en respect voor de traditie heb gemaakt. Wilders gebruikt lelijke woorden, hij spreekt uit haat, en dat wekt haat op. Ik denk ook dat ik geen doelwit ben, omdat ik de Koran help. De Koran ligt nu overal in Nederland in de schappen, naast de Playboy. Moslimvrouwen, die de Koran haten omdat die gebruikt wordt om ze op te sluiten, zullen deze Koran misschien wel lezen. Hoe kunnen fanatici daar iets tegen hebben?”

De kritiek, van onder anderen Jan Blokker, Abdelkader Benali en uw landgenoot Afshin Ellian, luidt dat u duistere passages bewust heeft weggelaten.

„Wie dat zegt, liegt of is onwetend. Ik heb geen enkel citaat weggelaten omdat het lelijk is, ik heb alleen herhalingen geschrapt. Wie dit zegt nodig ik nu, via NRC Handelsblad, uit voor een debat. Het klopt niet wat ze zeggen, ze kunnen het nooit waarmaken.”

Hoeveel procent van de tekst heeft u eigenlijk geschrapt? Volgens Ellian wel vijftig procent.

„Ik denk dat er dertig procent uit is verdwenen. Ik heb de doodsaaie herhalingen weggehaald. Zo loopt de tekst beter.”

In ‘De boodschapper’ ontbreekt de moord door Mohammed op joden in Medina.

„Ik wist dat de passages over de joden gevoelig zouden liggen. Maar opnieuw: het probleem zit in het boek. De Koran is vergeven van jodenhaat, zonder jodenhaat zou de islam niet tot stand zijn gekomen. Mijn vertaling verhult dat allerminst. Ik heb me voor De boodschapper gebaseerd op de bronnen die ik achterin de Koran noem. De shiïtische bronnen. Lang niet alle bronnen noemen de moord in Medina. Inderdaad, de passage niet opnemen is een keuze. Maar had ik haar wel opgenomen, dan had ik weer kritiek gekregen uit joodse hoek. En wat willen we bereiken met zoveel geweld? Ik wil de haat niet opnieuw doen opleven. Van meer haat gaat deze samenleving niet profiteren.”

Houdt u de Nederlandse samenleving al met al niet dom, zoals Abdelkader Benali u verweet?

„Gelukkig wonen wij in een democratie; iedereen mag zeggen wat hij wil. Ik vraag Benali en Ellian en alle anderen die mij aanvallen, en ik vraag het ze met respect: waar zijn jullie koranvertalingen? Ik zit op jullie boeken te wachten, dan kunnen we de boeken vergelijken. Ik geef jullie twintig jaar. En hoe kan men mij verwijten dat ik het Nederlandse volk dom houd? Ik heb al die andere koranversies toch niet vernietigd? Iedereen die het wil kan een van de vijf andere Nederlandse versies erbij pakken. Ik heb die boeken niet verboden, ik heb ze niet verbrand. Ze zullen tot de conclusie komen dat Kader Abdolah de waarheid in zijn geheel verteld heeft. Een ding is duidelijk: ik heb mijn boek geschreven voor meer samenhang in de samenleving. We kunnen de Koran van de ayatollahs hier niet gebruiken. We moeten in dit land een polderkoran hebben.”

En daarom is Allah bij u: ‘lief?’

„Precies. Ik denk dat dit een goed zinnetje is. Misschien blijft er over honderd jaar van Kader Abdolah maar één zinnetje over. Dat zal dan dit zinnetje zijn.”