Meer zon en meer buien

Het KNMI bracht gisteren een rapport uit over de veranderingen in het Nederlandse klimaat.

Belangrijke conclusie: klimaatverandering is niet meer iets van de toekomst.

De gemiddelde temperatuur in Nederland stijgt ruim twee keer zo snel als wereldwijd en in de late zomer valt steeds meer neerslag aan de kust. Dat zijn de twee belangrijkste conclusies van het klimaatrapport dat het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) gistermiddag heeft gepresenteerd.

Maar verder valt het nieuwste KNMI-rapport, getiteld De toestand van het klimaat in Nederland 2008, vooral op door wat er allemaal níet in staat. Geen voorspellingen over wijnbouw op de Nederlandse akkers, geen doemscenario’s over een stijgende zeespiegel, geen voorstellen voor de reductie van broeikasgassen. Het rapport is eerder een optelsom van weerberichten van de afgelopen vijf jaar. Het houdt zich strikt aan de feiten.

Die feiten liegen er niet om. Ze laten zien dat klimaatverandering niet langer iets is van een verre toekomst. Niet iets wat moet worden afgeleid uit ingewikkelde computermodellen die worden gevoed met aannames over wat er wel eens zou kunnen gebeuren. Nee, dit rapport bewijst dat de verandering allang plaatsvindt en dagelijks is af te lezen van de thermometer en de regenmeter.

Voor de samensteller van het rapport, Geert Jan van Oldenborgh, is dat een van de opvallendste veranderingen van het klimaatonderzoek in de afgelopen jaren. „De effecten van klimaatverandering zijn nu zichtbaar in de metingen”, zegt Van Oldenborgh.

Een van de grootste problemen van het klimaatonderzoek is de complexe samenhang tussen de vele fenomenen die het weer beïnvloeden. Daarom durfde het KNMI in 2003 (in het vorige rapport) de opwarming die toen ook al werd geconstateerd nog geen structurele verandering te noemen. Dat het in 2000 gemiddeld 10,9 graden Celsius was (fors hoger dan het langjarig gemiddelde van 9,8 graden), een jaar later 10,4 graden en weer een jaar later 10,8, kon volgens het KNMI nog best toeval zijn. Maar nu ook alle jaren sinds 2003 een stuk warmer zijn geweest dan gemiddeld, en de laatste twee daarvan met 11,2 graden Celsius nog weer warmer dan de voorgaande, nu lijkt toeval uitgesloten. Of, zoals het rapport stelt: er is een kans van 1 op 1.000 dat hier sprake is van toeval – want absolute zekerheden bestaan nu eenmaal niet in de wetenschap.

Nederland warmt dus mee op met de aarde als geheel. En doet dat, constateert het KNMI, 2,2 keer zo snel als de rest van de wereld – net als het grootste deel van West-Europa trouwens. De grootste opwarming vindt plaats in de lente (2,8 keer sneller dan het wereldwijde gemiddelde), de minste in de herfst (1,8 keer sneller). De zomer (2,1) en de winter (2,4) liggen daar tussenin.

Behalve van de structurele stijging van de gemiddelde temperatuur is het KNMI ook vrij zeker van het natter worden van de Nederlandse nazomer aan de kust. Dat hangt samen met de relatief snelle opwarming van de Noordzee in combinatie met een wind die steeds vaker uit westelijke richting waait. Maar daar begint al meteen de twijfel. Want waardoor waait het zo vaak uit het westen?

De onzekerheden nemen toe als de weersfenomenen elkaar directer beïnvloeden, zoals windrichting en neerslag. De onderzoekers trekken wel algemene conclusies, maar houden daarbij een slag om de arm. Bijvoorbeeld over atypische fenomenen zoals stranddagen in april of terrassenweer in februari, over het toenemend aantal dagen met zware neerslag, over de afnemende windsterkte en over de vorst die tegenwoordig vaker in december voorkomt dan in januari of februari.

Deze feiten worden meestal gevolgd door de constatering dat een verband met het (door de mens veroorzaakte) versterkte broeikaseffect nog niet is aangetoond.

Nog onzekerder wordt het rapport als de klimatologische chemie erbij wordt betrokken. Chemische reacties van stoffen in de atmosfeer hebben een broeikaswerking. Zo is er sprake van een toename van de hoeveelheid ozon in de troposfeer (tot een hoogte van 12 kilometer, niet vergelijkbaar met de ozon in de stratosfeer) door de oxidatie van koolmonoxide, methaan en stikstofoxides. Krasse uitspraken in dit deel van het rapport worden vermeden.

Lastig blijft dat het klimaat altijd gaat over gemiddelden en die kun je niet voelen. Dat het warmer wordt, betekent niet dat het nooit meer koud zal zijn. In 2003 berekende het KNMI dat op basis van de toenmalige gegevens de kans op een Elfstedentocht zou afnemen, maar niet zou verdwijnen (afhankelijk van het gekozen klimaatmodel zouden er in deze eeuw tussen de vier en tien Elfstedentochten gereden kunnen worden, tegen vijftien in de afgelopen eeuw).

Het KNMI-rapport, dat wetenschappelijk jargon heeft vermeden, is rustig van toon. Ja, zelfs bijna saai. Eigenlijk staat er niet zo heel veel in wat we niet al lang weten of hadden kunnen weten. Wie af en toe buiten komt, voelt aan den lijve dat het klimaat verandert. Terecht noemt Hein Haak, directeur klimaat van het KNMI, alle Nederlanders op dit gebied „ervaringsdeskundigen”.

Juist dat maakt het rapport zo bijzonder, vindt men bij het KNMI. Wat iedereen zo langzamerhand wel weet over klimaatverandering wordt met feiten onderbouwd. Toch zullen beleidsmakers niet meteen met deze informatie aan de slag kunnen. Daarvoor zal toch een ‘vertaling’ gemaakt moeten worden naar toekomstverwachtingen.

Zet de dalende windsnelheid door en wat betekent dat voor de capaciteit van de windturbines in Nederland? Wat betekent de opwarming voor het aantal dagen dat Nederlanders de kachel aanzetten? Het KNMI kan de kennis genereren om beleid op te baseren, zegt Hein Haak. Maar wij maken niet de politieke keuzes.

Het rapport en meer over het klimaat op: nrc.nl/klimaat

    • Paul Luttikhuis