Liegen als ontsnappingsmodel

De Amerikaan Tobias Wolff heeft spaarzaam gepubliceerd. Maar wat hij schrijft pakt je bij je nekvel en laat niet meer los. Met Updike en Salter behoort hij tot de beste Amerikaanse verhalenvertellers.

Tobias Wolff Foto HH Hollandse Hoogte

Tobias Wolff: Our story begins. New and Selected Stories. Alfred A. Knopf, 379 blz. € 25,75

Voor zijn boek This boy’s life, herinneringen aan zijn jongensjaren, gebruikte Tobias Wolff in 1989 een bekende uitspraak van Oscar Wilde als motto: ‘The first duty in life is to assume a pose. What the second is, no one has yet discovered’. Het is een heel zorgvuldig gekozen motto, dat voor een groot deel van Wolffs werk opgaat, en ook weer voor deze briljante bundel nieuwe en oude verhalen die misschien wel het hoogtepunt is in zijn oeuvre. Veel van zijn personages zijn mythomanen, dwangmatige leugenaars en fabulisten. In ‘This boy’s life’ is het Toby (die eigenlijk Jack genoemd wil worden, naar zijn held, de schrijver Jack London), die aanbevelingsbrieven van zijn leraren fingeert om tot een begeerde school toegelaten te worden. Echte falsificaties vindt hij die brieven zelf niet: het waren de woorden die zijn ‘leraren zouden hebben gebruikt als ze me beter hadden leren kennen.’ In het als een roman geafficheerde Old School (waarvan de hoofdpersoon veel gelijkenis met Toby/Jack vertoont) is het een soortgelijk vergrijp (het plagiëren van een bekroond verhaal om de aandacht te trekken van de bezoekende schrijver Ernest Hemingway), dat maakt dat hij van school gestuurd wordt.

Liegen, fabuleren, mythes verzinnen: het zijn natuurlijk allemaal andere woorden voor ‘een andere werkelijkheid bedenken’ en dat is, het hoeft nauwelijks betoog, nu juist bij uitstek het werk van de schrijver. Ook van de schrijver Wolff, die in genoemde personages als gezegd veel van zichzelf heeft gestoken. In een van zijn verhalen spreekt hij zijn fascinatie uit voor ‘de leepheid en onbetrouwbaarheid van mensen.’ En op de vraag waarom zoveel van zijn karakters leugenaars en bedriegers zijn antwoordde Wolff eens in een interview: ‘Misschien is de wereld niet genoeg?... Liegen betekent dingen zeggen die er niet zijn, dus is er klaarblijkelijk iets van ongeluksgevoel, ontevredenheid met dat wat er wel is.’

In ‘The Liar’, een van de beste verhalen in deze bundel, is alweer een teenager de hoofdpersoon. Hij kan niet ophouden duistere, soms gruwelijke verzinsels te vertellen over zijn familie. In het al even pakkende ‘The Other Miller’ krijgt een soldaat te horen dat zijn moeder is overleden. Hij beseft onmiddellijk dat het om de moeder van een naamgenoot uit dezelfde compagnie gaat met wie hij wel vaker wordt verwisseld, maar laat zich toch onaangedaan op verlof sturen. Tegen de beide soldaten die hem begeleiden hangt hij een volstrekt fictief verleden op van het gezin waaruit hij voortkomt. Niet omdat hij daar beter van wordt, niet omdat het interessanter of dramatischer is dan wat het in werkelijkheid was, maar gewoon omdat hij liever iets verzint. De details ontleent hij aan een liedje. En in een van de nieuwe verhalen, Deep Kiss, laat de schrijver zijn hoofdpersoon een heel parallelleven voor zichzelf fantaseren zoals hij dat had geleefd als zijn jeugdliefde hem niet in de steek had gelaten.

Tobias Wolff is de auteur van een klein maar zeer opmerkelijk oeuvre dat bestaat uit twee bundels memoires, een roman, de novelle The Barracks Thief en tientallen verhalen die in elkaar verwarrend overlappende edities werden uitgebracht. Ook deze editie bevat behalve tien nieuwe verhalen weer 21 oude verhalen, maar het is daarmee wel meteen het voorlopige hoogtepunt in dat oeuvre.

Behalve de hierboven behandelde gemene deler zijn er enkele andere rode draden aan te wijzen. Wolff is een mannenschrijver. Er zijn nogal wat verhalen die zich in het leger afspelen, of tussen nog jongere jongens onder elkaar, en telkens is Wolff benijdenswaardig in de trefzekerheid waarmee hij het bijpassende jargon hanteert. Vrouwen hier zijn doorgaans moeders, of bijfiguren. Zijn personages zijn dikwijls volwassenen of kinderen met grootse plannen en de wetenschap dat die niet gerealiseerd gaan worden zet hun fantasie in werking.

Wolff heeft een overtuigende, bijna dwingende verteltrant; hij pakt de lezer bij de nek en laat niet meer los tot de laatste alinea. Kenmerkend voor zijn werk is dat bijna geen verhaal zonder plotselinge wendingen verloopt. Niets gaat zoals de lezer verwacht dat het zal gaan. De toonzetting mag hilarisch zijn of van een hoge morele urgentie, maar bijna altijd voel je dat er een sterke dwang in de vertelling aanwezig is om de lezer te verleiden iets anders te veronderstellen dan wat de auteur van plan was.

Ook in de hierboven genoemde verhalen worden die verleidingstactieken gebruikt. Het bijzondere aan ‘The Liar’ is niet zozeer het dwangmatige verzinnen dat de jongen doet, maar de manier waarop die neiging lang onzichtbaar blijft. Het verhaal begint met een gesprek tussen zijn moeder en de huisarts; de vrouw maakt zich grote zorgen over het fabuleren van haar kind, verwijt de dokter dat hij had gesuggereerd dat hij ervan ‘genezen’ was. Vervolgens ontrolt het verhaal zich langs allerlei zijpaden die maar niet bij elkaar lijken te komen. Tot aan het fenomenale slot – wanneer de jongen in de bus naar Los Angeles zit, maar niet in de Expressbus zoals hij dacht. De tocht duurt eindeloos. Waar kom je vandaan, vraagt de vrouw op de stoel naast hem. Uit San Francisco, antwoordt hij. Wat doe je daar? Ik werk met vluchtelingen uit Tibet. Probeer werk en huisvesting voor ze te vinden, of luister alleen maar naar hun problemen.

Maar, zo vervolgt ze, hoe spreek je dan met ze? In het Tibetaans, antwoordt hij, mijn ouders waren missionarissen daar, ze zijn vermoord toen de communisten kwamen. De vrouw troost hem en vraagt: zing eens iets in het Tibetaans. ‘Ze leunde achterover en sloot haar ogen en de andere passagiers ook, terwijl ik iets voor ze zong in wat beslist een klassieke en heilige taal was.’

Niet alle verhalen eindigen zo gesloten. Vaak is het einde open, maar de lezer zal dat niet als een teleurstelling ervaren. Eerder blijft hij achter met de vraag ‘heb ik dit nu werkelijk gelezen?’ en met de neiging het verhaal te herlezen. Een goed voorbeeld van de hoekige opbouw die Wolff tot een van zijn kenmerken heeft gemaakt is een nieuw verhaal, ‘The Deposition’. De openingszin (‘De getuige stelde zich moeilijk op’) lijkt de aanzet tot een verhaal over een rechtszaak, en dat lijkt bevestigd als we de advocaat volgen die in die rechtszaak moet optreden. Tijdens een lunchpauze loopt hij ongewild achter een jonge vrouw aan die uit een bus is gestapt en zich onbespied waant. Als ze hem plotseling gewaar wordt holt ze in paniek weg – en zoekt toevlucht bij een oudere vrouw. Minuten later wordt de advocaat door de politie aangehouden: stalking. De politie raakt ervan overtuigd dat het loos alarm is, maar de oudere vrouw niet. Ze geeft hem een klap in het gezicht en schreeuwt ‘leugenaar!’, en voor het eerst in deze bundel weten we dat degene die zo genoemd wordt, dat helemaal niet is. De klap suist nog na als hij de rechtszaal betreedt, maar wat daar gebeurt doet er niet meer toe.

Tobias Wolff heeft te spaarzaam gepubliceerd in de afgelopen dertig jaar om zich een brede reputatie te verwerven, maar hij behoort met John Updike, James Salter en Richard Ford tot de absolute top van de levende Amerikaanse verhalenschrijvers. Hij roept in zijn beste werk visioenen op van oude vertellers, in culturen ver weg in tijd en plaats, die hun bij voorkeur rond een vuur gezeten gehoor de adem wisten te laten inhouden, te doordringen van de zekerheid dat ze geen woord mochten missen, want alles zou wel eens anders kunnen zijn dan het de vorige regel nog leek.

Deze fenomenale bundel verdient het om behoedzaam, met schone handen gelezen te worden. En daarna opnieuw gelezen. Het is misschien te vroeg om dit tot het Amerikaanse boek van het jaar uit te roepen, maar het zou me verbazen wanneer er dit jaar een sterkere verhalenbundel verschijnt.