Geen machtige draak, eerder een hagedis

Er wordt veel te hijgerig gesproken over China, vindt John Pomfret. Alsof dat land een nieuwe supermacht wordt met een dominerende rol. Dat staat nog maar te bezien.

Een machtige draak? Nog geen hagedisje Illustratie Milo Milo

Nikita Chroesjtsjov zei dat de Sovjet-Unie de Verenigde Staten zou begraven, maar nu denkt iedereen dat China het land met de schop is. De Volksrepubliek is in opmars – economisch, militair, zelfs ideologisch. Economisten dat het bruto binnenlandse product van China in 2025 groter zal zijn dan dat van de VS; zijn vloot van onderzeeërs zou vijf keer zo snel groeien als die van Washington; zelfs zijn autoritaire vorm van kapitalisme wordt hier en daar een goed alternatief genoemd voor de liberale democratie in het Westen. China, zo gaat het refrein, zal de 21ste eeuw domineren op dezelfde manier als de VSde 20ste hebben gedomineerd. Jammer alleen dat dit niet waar is.

Sinds ik in 2004 naar de VS ben teruggekeerd vanuit China, word ik vaak getroffen door de hijgerigheid waarmee we over dat land praten. Heel vaak heeft ons beeld van dat land meer te maken met het beeld dat we van onszelf hebben dan met wat er daar werkelijk aan de hand is. Maken we ons zorgen over ons onderwijs? China wordt een model. Zijn we nerveus over onze militaire paraatheid? China’s raketten vormen een bedreiging. Verontrust over de dalende invloed wereldwijd? China staat klaar om onze plaats over te nemen.

Maar wordt China echt een nieuwe supermacht? Ik betwijfel het.

Ik wil helemaal niet voortdurend op China inhakken. Ik ben daar voor het eerst in 1980 als student naar toe gegaan en heb zijn opmerkelijke transformatie in de afgelopen 28 jaar gevolgd. Ik heb mijn vrouw daar ontmoet en beschouw het land als een tweede thuis. Ik verwacht echt niet dat China in elkaar zal storten. Maar zijn droom dat het deze eeuw zal domineren zal binnen afzienbare tijd geen werkelijkheid worden.

Op sociaal, economisch en politiek gebied zijn er eenvoudigweg te veel beperkingen. Er zijn vier belangrijke redenen waar China eerder de gespierde adolescent van het internationale systeem zal blijven dan de heerser over de wereld zal worden: demografische problemen, een overschatte economie, een milieu dat zwaar onder druk staat en een ideologie die niet goed elders toepasbaar is.

In het Westen wordt China gezien als ‘de fabriek van de wereld’, het land van onbeperkte arbeidskrachten, waar miljoenen mensen maar wat graag het karige leven op het platteland inruilen voor een kans om schroeven vast te draaien in magnetrons. Als het land de status van supermacht krijgt, zo luidt de conventionele wijsheid, zal dat gebeuren door de inspanningen van een enorme arbeidsmacht.

Maar de demografische cijfers kloppen niet. Geen land wordt sneller oud dan de Volksrepubliek. Als China zo doorgaat, wordt het de eerste natie in de wereld die oud wordt voordat zij rijk wordt. Door het veelbesproken een-kind-per-gezinbeleid van de Communistische Partij, is het gemiddelde aantal kinderen voor een Chinese vrouw gedaald van 5,8 in de jaren zeventig tot 1,8 nu – en dat ligt onder de ratio van 2,1 die nodig is om de bevolking stabiel te houden. Tegelijkertijd is de levensverwachting sterk gestegen, van net 35 jaar in 1949 tot meer dan 73 jaar nu. Economen maken zich zorgen dat wanneer het aantal mensen in de arbeidszame leeftijd daalt, de arbeidskosten zullen stijgen. Hiermee zou een van de sleutelelementen van China’s sterke concurrentiepositie sterk worden uitgehold.

Erger nog, Chinese demografen als Li Jianmin van de Nankai Universiteit voorspellen nu een crisis onder de Chinese bejaarden, een groep die zal opzwellen van honderd miljoen mensen boven de zestig nu tot 334 miljoen in 2050 – met daarbij het onthutsende aantal van honderd miljoen mensen boven de tachtig. Hoe zal China voor deze mensen zorgen? Met pensioenen? Minder dan 30 procent van de stadsbewoners heeft er een, en geen van de zevenhonderd miljoen boeren. Het Chinese staatspensioen stelt ook vrijwel niets voor. Nicholas Eberstadt, een demograaf en econoom bij het conservatieve American Enterprise Institute, noemt de demografische tijdbom van China „een slowmotion humanitaire tragedie”

Er gaat geen maand voorbij zonder dat een of ander onderzoeksinstituut roept dat de Chinese economie de Amerikaanse zal inhalen. Maar er zijn twee soorten problemen met dergelijke voorspellingen. Om te beginnen gaan de Chinese statistieken in het universum waar deze rapporten worden geschreven, altijd naar boven, nooit naar beneden. Bovendien verdwijnt de nuance die soms te vinden is in de studies zelf wanneer de resultaten worden samengevat voor de rest van ons.

Een belangrijke nuance is dat we steeds vergeten hoeveel mensen China eigenlijk telt: ongeveer 1,3 miljard. Dat is meer dan vier keer zoveel als in de Verenigde Staten. China móét wel een grote economie hebben. Maar als je kijkt naar het inkomen per hoofd van de bevolking is het land helemaal geen grote draak; het is een middelgrote hagedis die op de 109de plaats staat in de World Economic Outlook Database van het Internationaal Monetair Fonds, tussen Swaziland en Marokko. China heeft een grote economie, maar de gemiddelde levensstandaard ligt laag en zal nog een hele lange tijd laag blijven.

Het belangrijkste cijfer waarmee wordt geschermd om te bewijzen dat China het Westen gaat overvleugelen, is het handelstekort van de VS met China. Vorig jaar bedroeg dat 256 miljard dollar. Maar bijna zestig procent van de totale export van China komt van bedrijven die niet in het bezit zijn van Chinezen. En als je kijkt naar hightech exportartikelen, zoals computers en andere elektronica, stijgt dat naar 89 procent. China is een onderdeel geworden van het mondiale systeem, maar dan nog steeds van het deel dat tegen lage kosten producten vervaardigt en in elkaar zet – en het zijn buitenlandse bedrijven, niet Chinese, die het leeuwendeel van de winst opstrijken.

In 2004, toen ik met mijn gezin naar Los Angeles verhuisde, de smoghoofdstad van de Verenigde Staten, hielden de frequente astma-aanvallen en chronische infecties aan de luchtwegen van mijn zoon op. Toen mensen vroegen waarom we naar L.A. waren verhuisd, antwoordde ik met een grapje: „Wegens de lucht.”

De milieuproblemen van China zijn niet om mee te spotten. Dit jaar zal China de Verenigde Staten inhalen als ’s werelds belangrijkste uitstoter van broeikasgassen. China is de grootste bedreiging voor de ozonlaag en de grootste vervuiler van de Stille Oceaan. Zestien van de twintig meest vervuilde steden van de wereld liggen in China. Zeventig procent van zijn meren en rivieren is vervuild, en de helft van de bevolking heeft geen schoon drinkwater. In 2030 zal de natie een watertekort hebben dat net zo groot is als de waterconsumptie van nu. Fabrieken in het noordwesten moesten al sluiten omdat er simpelweg geen water is. Zelfs economen van de Chinese regering schatten dat het land ieder jaar tien procent van zijn bruto binnenlands product moet besteden aan het oplossen van milieuproblemen.

En dan hebben we natuurlijk nog de film Kung Fu Panda. Die illustreert de laatste reden waarom China geen supermacht zal worden: de animatie-ideeën van China zijn gewoon niet zo animerend.

De recente Hollywood-topper, over de hoog van zich af trappende panda die oude Chinese wijsheden gebruikt om zichzelf te veranderen in een kungfustrijder, heeft veel kasrecords verbroken in China – en tot veel handenwringen geleid onder de beau monde van het land. Zoals Wu Jiang, president van de Nationale Opera, tegen het officiële persbureau New China News zei: „De hoofdrolspeler in de film is de nationale schat van China, en alle elementen erin zijn Chinees, maar waarom hebben wij zo’n film niet gemaakt?”

De inhoud van de film mag dan wel Chinees zijn, maar zijn speelse oneerbiedigheid en creativiteit zijn honderd procent Amerikaans. China blijft een autoritaire staat die wordt geleid door een partij die de vrije stroom van informatie beperkt, vindingrijkheid verstikt en niet begrijpt hoe het zichzelf moet corrigeren. Kaskrakers komen niet uit de loop van een geweer. En hetzelfde geldt, in het tijdperk van de globalisering, voor supermachten.

En toch lijken we maar wat graag te zwelgen in het overschatten van China. Ik was laatst op een feestje waar een belangrijke assistent van een Democratische senator sprak over een deal eerder dit jaar, waarbij een Chinese staatsinvesteringsmaatschappij een flink stuk had gekocht van de Blackstone Group, een Amerikaanse investeringsmaatschappij. Het Chinese bedrijf had meer dan een miljard dollar verloren. Maar de assistent wilde maar niet geloven dat dit een verkeerd uitgepakte investering was geweest. „Het maakt vast deel uit van een groter plan”, zei ze. „Het is China.”

Ik geloof niet dat ik haar heb kunnen overtuigen.

Pomfret is redacteur van de Washington Post en was voor deze krant bureauchef in Peking. Hij schreef ‘Chinese Lessons: Five Classmates and the Story of the New China’. © LAT/WP

    • John Pomfret