Gedachten zijn als kikkervisjes

Olga Tokarczuk, ergens in Zuid-Polen Foto Witold Krass/HH Poland, 31 august 2007 Olga Tokarczuk, writer, at home in South of Poland, near the Czech border Photo: Witold Krassowski/EK PICTURES/HH Krassowsk, Witoldi;EK PICTURES;Hollandse Hoogte

Olga Tokarczuk: De laatste verhalen. Vertaald door Karol Lesman. De Geus, 284 blz. € 22,50

Sommige romans zijn met geen andere te vergelijken. Hun wereld is volledig origineel, hun toon, ritme en stijl dermate eigen en wars van clichés dat je ze uit duizenden zou herkennen. De meest recente roman van de Poolse schrijfster Olga Tokarczuk is er zo een.

Olga Tokarczuk (1962) werd geboren in het zuidwesten van Polen, studeerde psychologie aan de Universiteit van Warschau. Sinds haar debuut in 1979 publiceerde ze negen romans, verhalen en essays. In het Nederlands verschenen eerder Huis voor de nacht, huis voor de dag en Oer en andere tijden. Begin dit jaar was ze Writer in Residence in Amsterdam.

Bij De laatste verhalen is ze uitgegaan van een beproefd recept – drie verhalen, drie vrouwenlevens, drie generaties. Desalniettemin lijkt het in niets op wat je bij die formule verwacht. De onderlinge relatie tussen de vrouwen komt eigenlijk maar zijdelings naar voren, er wordt nauwelijks van de een naar de ander verwezen, er is nauwelijks kruisbestuiving, laat staan dat er sprake is van familieverwikkelingen. Tokarczuk creëerde drie autonome werelden die vooral door haar stijl een hechte eenheid vormen.

Nadenkend en bedachtzaam is de schrijfster, haar observaties zijn uitermate precies en associatief, haar vertellersstem invoelend en enigszins melancholiek. Haar vrouwelijke personages beschouwen hun leven met een laconieke, filosofische mijmering, die nooit zwaar wordt. ‘Je moet foto’s niet geloven’, denkt een van de vrouwen, ‘ze suggereren dat de tijd de mensen zichzelf ontsteelt, dat hij onze levens in kleine stukjes snijdt en op dezelfde manier onze zielen in de week zet. En toch, denk ik, bestaat de weg naar het einde erin momenten van het leven in een verzameling bij elkaar te nemen. Helemaal geen verlies, maar integendeel, het terugvinden van wat verloren leek’.

Scharniermomenten

Ieder van de vrouwen legt in zekere zin een collectie van die momenten aan, pijnlijke, gelukkige en scharniermomenten uit hun leven. Dat geldt ook voor Ida, de 54-jarige vrouw uit het eerste deel, die op weg naar haar ouderlijk huis, in een sneeuwstorm, een auto-ongeluk krijgt en verward bij het dichtstbijzijnde huis aanklopt. ‘Gedachten warrelen vlak onder het oppervlak door elkaar, het zijn ongeduldige kikkervisjes. Het is vast die botsing, daarom voelt het zo ongewoon, alsof ze slaapt en slaapwandelt, ze heeft vast een hersenschudding en daardoor zijn al haar gedachten versplinterd en in diggelen gevallen, als een poppetje van ijs’.

Dagenlang slaapt ze in een vreemde kamer, worstelend met gedachten die ‘je op goed geluk kunt vastgrijpen, beetpakken als het touw van een vlieger’. Ze denkt aan haar ouders die de Pools-Duitse grenswijzigingen aan den lijve hebben ondervonden, eerst werden verdreven, daarna weer mochten terugkomen. Duitsers kwamen later het huis bekijken waarin zij inmiddels woonden: ‘het moet een magisch geloof zijn als je meent de tijd heel even te kunnen omkeren en dat wat is geweest te kunnen aanraken, denkt Ida. Het wezen van alle religies is niet de verrijzenis uit de dood, maar het omkeren van de tijd, hem in zijn eigen staart te laten bijten’.

Soms is Ida even in staat te communiceren met de oude mensen bij wie ze logeert totdat ze hersteld zal zijn. ‘Die gesprekken die ze met hen voert zijn als van papier, ze scheuren en worden nat. Ze zeggen iets tegen elkaar, en vervolgens vergeten ze wat ze hebben gezegd.’

Het tweede verhaal, dat van Ida’s moeder, begint met een onvergetelijk beeld. Haar echtgenoot is net overleden, ‘hij ging dood en ik ging slapen, want ik wist dat er toch niets meer aan te doen was’, waarna de oude vrouw dagen bezig is om, millimeter voor millimeter, zijn bed naar de veranda te verplaatsen. Het is winter, er ligt meters sneeuw en hun huis is volledig van de buitenwereld geïsoleerd.

Sneeuwheiligdom

De veranda ‘ziet eruit als een kapel, een sneeuwheiligdom. De fantastische ijsbloemen vormen een fijne guirlande. Lang geleden probeerde ik dit soort patronen na te tekenen. Toen heb ik ontdekt dat ze nooit hetzelfde zijn’. De weken daarna, haar man nog steeds buiten op de veranda, heeft de vrouw soms de indruk dat ze hem hoort spreken, ‘hij kraakt stilletjes als de televisie. De sneeuw zit nu ook al in zijn binnenste, zijn stem sneeuwt ook’.

Terwijl het sneeuwt en de vrouw een hulpkreet in de sneeuw schrijft, denkt ze terug aan het leven dat ze samen hebben geleefd, twee wezens die in alle opzichten elkaars tegengestelde waren, die elkaar nooit nader zijn gekomen, gepijnigd door het verloop van de Europese geschiedenis. ‘De wereld zat ons alleen maar in de weg. Steeds richtte hij zijn spitse lemmeten op ons, mikte op ons, aan zijn scherpe randen haalden wij onze knieën open’.

De jongste van de drie vrouwen, zelf moeder van een elfjarige zoon, lijkt zich van het zware leven van haar moeder en grootmoeder nauwelijks bewust. Het interesseert haar ook niet, ze heeft haar handen vol aan haar eigen heden, haar eigen pijn en haar eigen sores. Als reisboekenschrijfster verblijft ze op de mooiste plekken ter aarde, is zo vrij als een vogeltje, maar veel gelukkiger dan de oudere generaties is ze niet. ‘Ze is doorzichtig, haar voeten raken de aarde niet. Zij zweeft. Ze is niet op de vlucht, haar huis is de weg, zij woont in het reizen. Zij beweegt als een geest over de aarde, zonder een spoor achter te laten’.

Daar gaat het misschien om in dit schitterende boek, om al die onzichtbare sporen van in de marge geleefde levens.

    • Margot Dijkgraaf