Een pointillist van reuzenstippen

De ‘Seagram murals’ van de Amerikaanse schilder Mark Rothko spoelen met de kracht van een Atlantische golf over de toeschouwer heen. Binnenkort zijn alle veertig schilderijen weer herenigd op een tentoonstelling in Tate Modern.

Een van de Seagram murals van Mark Rothko, ‘Red on Maroon’, 1959 foto Tate Modern, Londen

Ooit miste ik een vliegtuig door Mark Rothko. Met een vriend was ik een dag in Londen. We zouden samen een film maken over de western en het Amerikaanse landschap en wilden daarvoor een tentoonstelling over het sublieme in de Amerikaanse schilderkunst in de Tate Gallery bezoeken. ’s Ochtends met het vliegtuig heen, dezelfde dag met de laatste vlucht terug. Het sublieme belooft plezier in het angstaanjagende, dus waarom niet ook de tijd tarten? Eerst een paar foto’s bij het British Film Institute in hartje Soho regelen, dat moest kunnen. En afsluiten met een kort bezoek aan de Rothko room in de Tate Gallery. We hoefden er maar een paar zalen voor door te lopen.

In de Rothko room kon je sinds begin jaren zeventig de zogenaamde Seagram murals zien. Donkerbruine en dieprode reuzenschilderijen, meer dan twee meter hoog en sommige zelfs meer dan vier meter breed. Duistere, grof over elkaar heen geschoven kleurvlakken, aan de randen rafelig als jute. Ze hingen in een kleine zaal met een verlaagd lichtplafond. Het gaf je het idee dat de andere zalen in het volle zonlicht baadden en je hier de verkoelende schaduw van een huis binnenstapte. Anders dan gebruikelijk waren de schilderijen net boven de plinten opgehangen, alsof ze zich – manshoog als ze waren – niet boven de bezoeker wensten te verheffen. Je kon ze de hand schudden. Maar kwam je tot op armlengte, dan spoelden ze met de zuigkracht van een Atlantische golf over je heen.

Rothko schilderde ze eind jaren vijftig voor het Four Seasons restaurant in het Seagramgebouw in New York. Hij had de hele serie al klaar toen hij de opdracht onverwachts teruggaf. Dat gebeurde na een legendarisch etentje in het fancy restaurant met zijn vrouw Mell. Wat daar precies is gebeurd, niemand die het weet, maar de volgende dag zei Rothko tegen zijn studioassistent: „Anybody who will eat that kind of food for those kind of prices will never look at a painting of mine.” Had hij dat diner à deux daarvoor nodig? Een journalist vertelde hij al eerder met veel branie dat hij de eters met zijn schilderijen wilde intimideren, zodat ze geen hap meer door hun keel konden krijgen. Dan zouden zijn critici voorgoed beseffen dat zijn grote, abstracte kleurvelden niets decoratiefs hadden, maar iedere beschouwer bij de keel grepen.

Ik zou niet graag onder het oog van deze rode gevaarten in een jakobsschelp prikken, maar ik had graag geweten of het de jetsetbezoekers van het restaurant in het Seagramgebouw wel gelukt was. Het blijft een van de merkwaardigste raadsels van de kunst dat hij überhaupt kon denken dat zijn omineuze doeken door zijn opdrachtgevers zouden worden geaccepteerd. Misschien wilde hij dat gevecht voor zijn en blies hij het experiment daarom voortijdig af. Door die doeken te schilderen was hij in een deel van zichzelf geweest dat zich slecht mengde met het beschaafde getik van bestek op porselein. Ze laten je de zee inlopen, van de brug afspringen. Desnoods je polsen doorsnijden.

Wilde hij dat zelf bewijzen?

Na veel geharrewar schonk hij eind jaren zestig – ruim tien jaar nadat hij ze had geschilderd – negen van de restaurantdoeken aan de Tate Gallery, die hem een eigen zaal had beloofd. De schilderijen arriveerden in Londen op 25 februari 1970, de dag van zijn zelfmoord. Rothko had zich in de keuken van zijn atelier de polsen doorgesneden. De kunstgeschiedenis kreeg er een ‘korenveld met kraaien’ bij.

Ik was een jaar of achttien toen

ik de Seagram murals voor het eerst zag. Voor de gevoelige adolescent was het een overweldigende ervaring die ik nu graag zou romantiseren met trillende benen, zweetuitbraken, misschien zelfs wat donkere, cello-achtige tonen in mijn hoofd. Maar ik weet daar niets meer van, die eerste ervaring is weg. Wat ik wel weet, is dat ik sindsdien nooit in Londen was zonder naar de rode doeken van Rothko te gaan. Ik bezocht ze als een pelgrim. De ene keer vond ik er onrust, soms een scherpe tinteling, gaandeweg een oude, wijze vriend die je vertelt dat het leven een afgrond is, waarin je hoe dan ook ooit te pletter zult vallen – dat beseffen is troostrijk.

Ik had de Rothko room in het researchdagje Londen ingepland als een verrassing. Als je samen een film gaat maken, moet je jezelf bloot durven geven. Ook nadat de ochtendvlucht met een fikse vertraging Londen bereikte, zette ik het niet uit mijn hoofd. Nadenken over het Amerikaanse landschap kon volgens mij niet zonder de ervaring van de Seagram murals. Voor een van de donkerrode Rothko’s staan had iets van de Grand Canyon inkijken, verwondering en angst gingen daarin samen. Dat zou het slotakkoord van onze dag in Londen worden.

Ik had er alleen niet bij stil gestaan dat kort daarvoor Tate Modern was geopend. Daar kwam ik pas achter toen ik de zalen inspecteerde: alsof ik mijn woning binnenkwam en die was leeggehaald door inbrekers. De Rothko’s hingen in het nieuwe filiaal aan de andere oever van de Theems. Hoewel de tijd drong, vond ik dat we de oversteek naar het nieuwe onderkomen moesten wagen.

Na een lange taxirit, roltrappen en vele wandelmeters, stonden we eindelijk voor de ingang van de nieuwe Rothko room in Tate Modern. Het geduld van mijn vriend bleek gelukkig eindeloos. De terugvlucht begon er al om te spannen. We betraden de zaal.

Mijn schrik kon niet groter zijn. Alle schilderijen hingen er, maar in een ambiance waarin alles te veel was: het licht te veel gedempt, de muren een tint te grijs, de doeken net iets te ver van elkaar. In de Tate Gallery viel het licht over de doeken als getemperd daglicht, maar hier was het duister plots gewild, als een theatrale truc, een verdubbeling van wat de schilderijen van zichzelf al vertelden. Je kwam daar onverhoeds binnen, om dan door het negenkoppige monster te worden aangevallen. In de Tate Modern hingen de doeken al bij voorbaat geënsceneerd als een totaalervaring. In de Tate Gallery hadden ze hun individualiteit bewaard, hoe sterk ze ook met elkaar waren verbonden.

Het was me in één oogopslag duidelijk: de nieuwe Rothko room was opgepimpt tot een sacrale ruimte, hier was gepoogd de beroemde Rothko kapel in Houston te evenaren. Er had alleen nog maar zachte sitarmuziek hoeven klinken en we hadden een perfect new age stiltecentrum. De curatoren waren in hun poging iets speciaals te creëren, afgegleden naar de kitsch. Het gevolg: de schilderijen hadden hun agressieve tonen verloren, ze waren – o arme Rothko – vredelievende decoratie geworden.

Hoe moest ik dit mijn vriend uitleggen? Ik merkte zijn teleurstelling. Hij is gevoelig voor karige kunst, voor eerlijkheid en directheid. Hoe kon ik hem door heel Londen naar deze display van nepreligiositeit hebben meegesleept? We moesten op zijn minst nog iets langer blijven om te kijken of de schilderijen hun kracht konden terugwinnen. Ik probeerde tijd te winnen, uit te leggen, mijn teleurstelling kenbaar te maken, nog wat goed te praten, de schilderijen een voor een nog eens te bekijken. En niet te struikelen over de houten banken in het midden van de zaal, met hun gekunstelde designglooiing van de zitplank.

Uiteindelijk haastten we ons ontgoocheld naar Gatwick, waar, toen we kwamen aanrennen, de gate voor de laatste vlucht naar Amsterdam onverbiddelijk gesloten werd.

Ik vroeg me af of alleen die enscenering schuld had. Of was ik jarenlang door de schilderijen van Rothko beetgenomen, waren ze uiteindelijk niet meer dan decoratie? Kon ik me ooit nog laten overrompelen door zijn schilderijen?

Ineens waren er kansen te over

om dat te controleren. Eerst was er eind vorig jaar in Rome een retrospectief, daarna in München. En nu deze zomer in de Hamburger Kunsthalle. Het informatiebulletin van de Kunsthalle maande me tot actie. Het was maar de vraag of ik ooit nog de kans zou krijgen zo veel van Rothko bij elkaar te zien, zo las ik. Rothko is te duur geworden. De afgelopen jaren zijn verschillende van zijn schilderijen voor tientallen miljoenen euro’s geveild. De verzekeringspremies om ze te laten reizen, zijn onbetaalbaar geworden. Dit was misschien mijn laatste kans.

Ik stapte de eerste zaal binnen. Was ik op de juiste verdieping? De tentoonstelling begint braaf met Rothko’s figuratieve werk uit de jaren dertig. Daar had ik me niet op voorbereid. Je kunt het nauwelijks jeugdwerk noemen, de schilder is de vijfendertig dan al gepasseerd, maar je ziet hem worstelen met invloeden (surrealisme, De Chirico) en onderwerpen (metrohallen, klassieke oudheid) op een manier van de talentvolle academiestudent. Ik probeer iets te ontdekken wat me bevalt. „Een sterke penseelstreek, met veel bravoure”, hoor ik mezelf zeggen. „En gevoel voor kleur.” Zou ik dat ook denken als ik geen notie had van zijn latere werk? Dat is de pest van retrospectieven, het creëert een eerder en een later, een voorlopen en een hoogtepunt en meestal ook een teloorgang. Alles in het licht van een ontwikkeling, in het verband van een leven, een carrière. Zo verliezen schilderijen hun eigenwaarde.

In hun plichtmatige chronologie tonen de schilderijen een ontwikkeling die van figuratief naar abstractie voert, van plaatjes naar kleurvlakken, van een ‘vertellende’ kunst naar een ‘formele’ kunst. De figuratieve doeken worden een stadium in een self-fulfilling prophecy, ze zeggen: „Kijk, anders kon het niet gaan, de abstractie is een bevrijding uit de dwangbuis van het figuratieve.” Je ziet dat idee veelvuldig uitgespeeld in overzichtszaaltjes met werk van Mondriaan of Malevitsj, de abstractie als onontkoombaar einddoel.

Maar gaat dat verhaal ook op voor Rothko? Je zou zomaar kunnen denken dat met het vinden van de abstractie Rothko geen verhalenverteller meer was, dat zijn grote kleurvelden louter een formele fascinatie voor kleur en vlakverdeling uitdragen. De retrospectieve opstelling dreigt de blik op Rothko de verhalenverteller te verduisteren. De curatoren in Hamburg hebben goed aangevoeld dat hier een mogelijk misverstand ligt, want precies in de zaal waar je de overgang naar abstractie kan traceren, plaatsten ze de eerste van slechts twee teksten die de tentoonstelling begeleiden. „Ik ben geen abstract schilder”, citeren ze Rothko, „het enige waar ik om geef is de uitdrukking van de elementaire menselijke emoties: tragedie, extase, noodlot”.

De chronologische opstelling,

dat moet ook gezegd, markeert wel heel goed het dramatische hoogtepunt van de expositie. De overgang, het moment waarop het figuratieve geen herkenbare plaats meer heeft in Rothko’s schilderijen, het werkt als een vuistslag. Een vrolijke vuistslag, want het is een werveling van gelukzalige kleuren, als zonlicht rimpelend over een watervlak. Geel, oranje, rood, lichtblauw, het is alsof Rothko in zijn zogenaamde ‘multiforms’ een paar vierkante centimeter van een impressionistisch schilderij heeft uitvergroot tot een paar vierkante meter, een schilderkunstige blow-up. Als je goed kijkt, dan is het figuratieve hier in extreme proporties uitvergroot.

Zou ik er zonder die figuratieve en halffiguratieve werken in de voorafgaande zalen ook zo naar hebben gekeken? Zou ik in Rothko de pointillist van reuzenstippen hebben herkend?

Het figuratieve krijgt hier een andere vorm, maar met het inzoomen is er nog altijd sprake van vertellen. Als de ‘multiforms’ het verhaal zijn van een gelukzalige extase, dan verhalen de doeken die volgen over tragedie en depressie, verdriet en verlies. Loop er langs en je ziet alle menselijke emoties zich in een lange rij voor je ontrollen, uitspreiden, neervlijen, opdringen, je de adem benemen. In niet meer dan kleurvlakken (dat blijft een wonder), rafelig over elkaar heen gelegd, met pulserende dieptes, neonflitsen, fluwelen vergezichten.

Hier kwam ik voor, die miljoenenvretende schilderijen van horizontale kleurvlakken, als gestapelde blokken of opgevouwen dekens. Ze hangen in een aangenaam fris licht, in niet te grote ruimtes, zodat je gedwongen wordt er dicht bij te gaan staan. Het valt niet moeilijk om me met Rothko te verzoenen, er hangt magie in de lucht.

Je passeert de ene stemming na de andere, en laat je ze allemaal toe, dan is het bezoek aan de tentoonstelling een uitputtingsslag. Rothko maakt ervaringskunst. Je hebt er niets aan om ze in een catalogus of op internet te bekijken. Je moet zien dat ze geschilderd zijn, bedachtzaam en precies. Vooral in de overgangsgebieden valt op hoe Rothko de grotere vlakken als een figuratief schilder bij elkaar brengt, of juist van elkaar scheidt. Niet door een streep te zetten, maar door penseelstreek na penseelstreek deze scheidingen op te bouwen. Zoals een kloddertje wit bij Vermeer een parel wordt, of bij Monet de stoom van een locomotief.

Geen centimeter is vanzelfsprekend, de pulserende kleuren hebben zich uitgestrekt over verborgen kleuren, die er zacht doorheen gloren. Eigenlijk zijn het geen kleurvlakken, want alles komt tot stand door de korte toets van het penseel, de streek, de beweging van boven naar beneden, van links naar rechts.

En ineens begrijp ik wat er mis is in de nieuwe Rothko room in Tate Modern. Daar verdwijnt in de duisternis precies die penseelstreek waardoor de hand van de schilder, en daarmee zijn pijnlijke verhaal niet langer zichtbaar is.

Op een andere wand in de Hamburger Kunsthalle staat een tweede citaat van Rothko: „De voederbak van mijn schilderijen is geweld. (..) Daarom ben ik altijd verrast als men mijn schilderijen vredig noemt. Ze zijn een scheur. Ze zijn in geweld geboren.” Het geweld ligt in die tastende hand, die vol overgave kleur mengt en op een canvas strijkt. Streek na streek in bijna gelijkblijvende kleuren, of in een plotseling contrast. Ze hebben de kracht van een schreeuw, een na-echoënd ‘HELP’. Mes in vlees, zo voelen die penseelstreken aan. In Tate Modern zijn die weggefilterd. Alsof de kerven in Rothko’s polsen alsnog zijn dichtgenaaid.

Thuisgekomen lees ik op de website van Tate Modern de aankondiging van een volgende megatentoonstelling rond het werk van Mark Rothko. Eind september zullen daar voor het eerst na hun ontstaan alle doeken die bedoeld waren voor het restaurant in het Seagramgebouw bij elkaar worden gebracht. De negen van Tate krijgen hun broertjes op bezoek. „This is going to be the must-see exhibition of the year”, schreeuwt de aankondiging.

Moet ik er een dagje Londen aan wagen? Of zal ik het bij de vreugdevolle verzoening in Hamburg laten?

Mark Rothko. Die Retrospektieve. T/m 14 sept in de Hamburger Kunsthalle. Inl: www.hamburger-kunsthalle.deRothko: The Late Series. 26 sept t/m 1 febr in Tate Modern, Londen. Inl: www.tate.org.uk

    • Peter Delpeut