Dichten is geen dichtertje spelen

Lieve Hafid,

Op hoge poëtische vluchten neem je me mee. Gelukkig is vliegen iets anders dan zweven.

Zweven in de zin van zweverigheid dan. Ik zou wel aan één stuk door willen vliegen. Maar ik ben gedoemd altijd plat op mijn smoel terecht te komen. Op het moment dat ik de lucht in ga verlang ik al naar het slijk. En vooral als ik aan poëtische vluchten denk zweet ik peentjes. En dat zegt degene die geacht wordt de dichter van ons beiden te zijn.

Schreef je me niet pas dat je de Here Here prees dat je geen dichter was? Gelijk heb je.

Eén ding is zeker: er zijn op het ogenblik te veel dichters en ze hebben bij elkaar nog niet één memorabele zin opgeleverd. ’t Is een grijs groepje met een brij van uitwisselbare regels. Misschien dat de ene poëet een puistje of een stifttand meer heeft dan de andere, maar ga op twee meter afstand van ze staan en ze zijn al niet meer van elkaar te onderscheiden.

Een dichter moet memorabel zijn. Gedichten die dansen, verkillen, vleien, beledigen, inpeperen, ontploffen en zich als zuur in je bijten, daar heb je wat aan. De scheurkalender heeft honger, de volksmond heeft honger, het citatenboek heeft honger en de dichter levert niet. Dichters moeten... ze moeten niets, maar ze moesten niet zo verdomd veel op elkaar willen lijken.

Er komen veel nette en poëtisch correcte probeersels bij. Maar geen stemmen. Geen dichters. Nooit eens een vent of een meid die je langer dan twee dagen bijblijft.

Dichten is geen hobby. Dichten is geen weg omhoog naar functies of fondsen. Dichten is niet lonkend in de rij staan voor het zoveelste dorpsdichterschap. Dichten is geen dichtertje spelen en bakkeleien met andere dichtertjes. Dichten is geen dekmantel om te zeuren over rijm ja of nee, modernisme ja of nee, maatschappij ja of nee, experiment ja of nee, hermetisme ja of nee, favereyhiep of favereyho. Ik en mijn bundel. In de Nederlandse poëzie gaat het uitsluitend daarover.

Dichter, hef je zelf op!

(Bedaar. Morgen denk ik er vast weer anders over.)

Poëzie is een geheim. Het volk mag alleen huiveren en zijn mond houden.

Ik doe nu enigszins afstandelijk over poëzie, zoals ik laatst een beetje lacherig deed over boeken. Wat zou ik me dan nog verbazen dat het slag dat zich met poëzie en boeken inlaat niet langer serieus wordt genomen? Dat is het dilemma. Het bepalende boek, het gedicht als gids, we geloven er zelf niet meer in. Of liever: de afstandelijkheid en de relativering zijn deel geworden van ons geloof.

Dichters geloven al helemaal niet dat de band met het publiek van vitaal belang is. Gelezen en begrepen worden is zelfs verdacht.

Dan loopt het af als bij een stoelendans. Als nummer één aarzelt of zich vergist gaat nummer twee op de stoel zitten. Sneller dan je een wenkbrauw kunt ophalen worden de plaatsen ingenomen door de kneusjes, het lagere echelon. Toegejuicht worden wil iedereen.

De deftige dichters begonnen met te zeggen dat de light verse-dichters best mochten meedoen. Het publiek omhelsde de rijmelaars zo innig dat de light verse-dichters vervolgens met een stalen gezicht gingen beweren dat de deftige dichters hadden afgedaan. Dat was ook weer niet de bedoeling.

Officiële dichters verklaarden dat ook rappers zuivere poëzie afleverden. Daarna begon lange Daan of lange Frans of lange Jaap, ik kom even niet op de naam, het volk de geheimen van de wereld uit te leggen. Platpratende Marokkaantjes die nog vies zouden schrikken als iemand ze vertelde dat er dichters in hun Arabia Deserta rondliepen, wierpen zich op als klankbord, tolk en geweten van de maatschappij. De brutaaltjes. Dat was ook weer niet de bedoeling.

Als de sterren zich als dwaalsterren gedragen is het de beurt aan de sterretjes.

De politiek vindt het heerlijk. Als een schrijver zich zelf niet afzondert doen de anderen het wel voor hem. Verdonk simuleert paringsbewegingen met de kwelende Gordon en Joling, Balkenende en Bos kruipen op hun eigen ongeletterde tv-meisjes, eindelijk zijn de politici van die lastpakken met hun echte poëzie en hun boeken bevrijd. Duizend jaar zielsrust voor de boeg. Hun heilsrijk is bijna klaar.

Alle liefs, je Gerrit

    • Gerrit Komrij