De helaasheid der dingen was meteen zichtbaar

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag de laatste aflevering: Een bezoek aan de Ardennen. Terug naar 2000.

Foto Anke van Iersel fotograaf Anke van Iersel Iersel, Anke van

Ik haat België. Ik sms het naar mijn vriendin als ik op het station van Luik sta. Ik haat Belgen die alleen Frans spreken en ik haat kinderen die in de trein waar ik later in zit Franstalige rap uit hun kuttelefoontjes laten komen en ik haat het dat ik niet op kan staan om te zeggen dat ze dat kuttelefoontje stil moeten laten zijn omdat ik ’m anders het raam uitflikker. Ze zullen net als elke Franstalige Belg reageren: ik begrijp je niet en ik wil je ook niet begrijpen. Ik ben al op de terugweg, sms ik. Ik wilde naar Malmedy, maar het ging niet. Ik had iets voor m’n hond moeten regelen – als ik nu doorga naar Malmedy, zit ie straks veertien, vijftien uur alleen en hij gaat zeggen dat ik de beste baas ooit ben als ik terugkom, maar het is te lang.

In 2000 ben ik in Malmedy op vakantie geweest. Ik ging met mijn vrienden. Iemand van ons had een caravan gekocht en we waren met z’n zevenen. Omdat er een caravan was, gingen we niet ver, ook al gingen er maar twee van de zeven in de caravan slapen.

Op de heenweg had ik msn op m’n telefoon aan en iemand zei: heeft het iets met Dutroux te maken, dat je naar België gaat? Ik zei dat alles altijd met Dutroux te maken heeft. Het waren twee slechte grappen heen en weer, maar elk huis dat in België staat ziet eruit alsof het een kelder eronder heeft met twee meisjes erin opgesloten. De helaasheid der dingen is vijf minuten over de grens al zichtbaar.

Ik weet niet meer of we de camping van te voren hadden uitgezocht, of dat we er op goed geluk stopten. Het regende. De regen hield niet op. De camping werd er donkergroen van.

Nu regent het ook. De trein rijdt langs de Maas. De blikken Franstalige rap gaat door. Ik had aan een man die in een hokje bij de bussen zat gevraagd of hij Nederlands sprak, Engels anders, maar hij sprak alleen Frans. Malmedy, zei ik, en ik zei er sil vous plet achter. Ik had op internet gekeken, maar de Nederlandstalige site zei niets over vervoer in Wallonië en ik wist niet wat ik anders moest googlen. Ik dacht dat ik er slim genoeg voor was om het ter plekke uit te zoeken. Dat bleek niet zo te zijn.

De man in het hokje reageerde alsof ik naar een plaats in Hongarije vroeg. Hij pakte een ordner, en daar zocht hij iets in op, en toen pakte hij nog een ordner, en hij vergeleek iets met de andere ordner, en toen begon hij me in rap Frans uit te leggen wat ik moest doen. Je ne comprende pas, zei ik. Hij schreef het op. Een heleboel cijfers en een paar letters. 38B – 238, Verviers. Daarna: 294, 745, 395, 397. Ik begreep niet of dat de volgorde van de bussen was die ik moest nemen of dat dat mijn mogelijkheden waren. Het lukte me niet dat te vragen en er stond een rij achter me.

De hele eerste week van die vakantie regende het. Ik kan me niet herinneren hoe we de dagen hebben gevuld. Er was een bos achter de camping en de helft van de groep ging blowen in het bos en ik denk dat ik meeging. Niet altijd, maar wel vaak. Verder las ik veel, denk ik. In mijn tent, regen op het zeil.

Na de man met de cijfers wist ik niet wat ik moest doen. Ik had gerekend op twaalf uur weg zijn, twaalf uur, dat was te doen voor de hond; het duurde wel vaker twaalf uur tussen uitlaatbeurten. Een blaas van staal. Maar nu was er al vijf uur voorbij want de aansluiting tussen de intercity van Amsterdam naar Maastricht en de trein naar Luik was min één minuut en de volgende kwam een uur later, en het was volledig onduidelijk hoe lang het zou duren voor ik in Malmedy zou zijn en het was nog onduidelijker hoe veel tijd ik ervoor nodig zou hebben om weer terug te komen. In een land als België zouden bussen gewoon kunnen stoppen met rijden. Ik wist het zeker.

We hadden in het dorp rondgelopen, natuurlijk. We deden ‘oe’ en ‘ah’ bij alle pittoreskheid, maar er was iets verkeerd aan, iets klopte er niet. Malmedy leek een Efteling met de uitstraling van een jarenvijftigwijk. Toen we het monument vonden, wisten we waarom: Malmedy was in de oorlog verwoest, en daarna weer opgebouwd. Ik werd er somber van. Niet van de verwoesting, maar van de poging het net zo gezellig als voor de oorlog te maken.

Ik liep een tijdje rond bij het station van Luik. Het station was monsterlijk: in een stuk stad met vervallen gebouwen had een wethouder bedacht dat het tijd voor vernieuwing was en hij had er een emmer staal leeggekieperd en iemand had er een mand van gevlochten en die op z’n kop gezet. Ik had m’n hond naar m’n zuster moeten brengen, of ik had eerder betere vrienden met de buren moeten worden – kut, ik wist het niet.

Ergens op de vijfde dag werd de verveling zo ernstig dat Dennis alle auto’s op de camping uit begon te deuken. Dat was zijn werk als hij niet op vakantie was, en hij was begonnen met het Kadettje van Daniëlle, gewoon met zijn blote handen; vouwen noemde hij het. Vouwen.

Ik liep te lang rond. Ik liep te lang rond het station en de beslissing maakte zichzelf: ik moest terug naar Amsterdam.

We deden ook nog mee met de bingo aan het eind van de eerste week. Ronald won een dartbord.

Na de bingo was het genoeg. Ik wilde naar huis.

Ze zetten me af bij het busstation en met de bus reed ik naar Luik (of misschien toch Verviers – ik weet het niet meer) en met de trein ging ik verder en de reis was heel lang en heel kort. De rest bleef nog een week. Ze hebben het nog jaren tegen me gezegd: toen jij weg was, ging de zon schijnen.

Nu zit ik weer in de intercity en we stoppen net bij Roermond en de zon is gaan schijnen. De airco in de trein doet het niet en voor me zit een man met een Limburgs accent in zijn telefoon te praten. Hij heeft geen organisatorisch talent, zegt hij. Ik heb zin ’m tegen zijn achterhoofd te slaan.

Mijn hond zit te wachten en als ik thuiskom roept ie dat ik de beste baas ooit ben – dat weet ik nu al.