Bokkenballen

Omdat hij gisteren jarig was en omdat ik het nog niet gelezen had, las ik Rode regen van Cees Nooteboom. En nu weet ik: Nooteboom is een vriend. Nu ja, ik bedoel: de Nooteboom die in dit boek aan het woord is, verder wil ik niet aanmatigend zijn en de mensen zonder dat ze er zelf zeggenschap over hebben in het wilde weg tot vrienden uitroepen. Hij schrijft in dit boek onder meer over de poes, de tuin, de postbode, de buren en wat zich nog meer voordoet op het Spaanse eiland waar hij al bijna veertig jaar alle zomers woont.

Wat het is om een tuin te moeten verlaten bijvoorbeeld. Hoe schuldig je je dan voelt. Een tuin neemt ook wraak, weet ik uit ondervinding, die produceert onkruid, woekert de verkeerde kant op, laat je lievelingsbloemen snel doodgaan of gaat er lusteloos bij liggen, met een gezicht van „laat mij maar, ik had er toch allang geen zin meer in” en je moet heel lang weer zeer zorgzaam zijn, maar ook hard zijn en ingrijpen, wil zo’n tuin weer eens een glimlachje vertonen.

Ik geloof niet dat Nooteboom heel hard ingrijpt. Dat hoeft misschien ook minder op Menorca, daar grijpt de zomer zelf al keihard in. En de bomen die hij heeft, wil hij allemaal het liefst bewaren tot zo lang het kan, tot na zichzelf in ieder geval.

Maar hoe begrijpelijk ook, dat is nog niet wat de Nooteboom-van-dit-boek tot een vriend maakt.

Dat was het verhaal over zijn fretzes. Nooit van gehoord, moet ik eerlijk zeggen, van fretzes, het is Spaans voor fraisure, iets waar mijn vriend Nooteboom-van-dit-boek en ik al evenmin van gehoord hadden. Maar Nvdb at het in een Frans restaurant en toen hij de ober zo ver had dat die wilde zeggen wat het was, was het natuurlijk iets met orgaanvlees, want daar doen obers vaak moeilijk over, omdat klanten er weer vaak moeilijk over doen en ze, nadat ze ze gegeten hebben, nooit gegeten zouden willen hebben. Maar mijn Nvdb is zo niet. „Ik heb het grootste respect voor vegetariërs”, schrijft hij, „maar niet voor mensen die halve dieren weggooien en alleen maar dat eten waar ze geen wroeging bij of afschuw van hebben.” Juist. Daarom zijn we zo dik met elkaar, Nvdb en ik – we zijn het over dingen eens.

Enfin, toen ging Noot die fraisure maken, wat een soort ragout is. Ik droomde weg, regelrecht naar de markt van Heraklion, waar slagers staan die wel degelijk het hele beest willen verkopen. Er horen restaurantjes bij waar ze met alle onderdelen raad weten en waar je interessante darmknoedeltjes kunt eten en gebakken longen en natuurlijk kokoretsi, een gerecht dat bestaat uit diverse ingewanden in kleine stukjes, gekruid, die in elkaar gedraaid worden en vastgesnoerd met darmen en daarna boven het spit geroosterd. Dat is zoiets heerlijks! En de amaletita niet te vergeten, onderdelen die ik jarenlang, met een aan het levensvijandige grenzende onverschilligheid voor biologische details ‘geitenballen’ heb genoemd. Bokkenballen dus.

Mijn vriend komt er ook nog over te spreken. Hij schrijft, nu ja niet voor mij, want ik weet dat al, en hij weet natuurlijk dat ik dat weet, daarvoor ben je vrienden nietwaar, dat ze heel lekker zijn.

Hij kan die fretzes trouwens echt goed maken. Dat zegt zijn buurvrouw Maria en die is heus wel kritisch. Met donker bier en wortel en lamstong en milt.

Ik ga het ook eens gauw doen. Met zijn hulp.