Anna Bijns was helemaal geen verstokte kwezel

Herman Pleij: Komt een vrouwtje bij de drukker… Over gezichtsveranderingen van de literatuur uit de late Middeleeuwen. Bert Bakker, 334 blz. € 29,95

Herman Pleij: Komt een vrouwtje bij de drukker… Over gezichtsveranderingen van de literatuur uit de late Middeleeuwen. Bert Bakker, 334 blz. € 29,95

In een refrein, geschreven rond het midden van de 16de eeuw, vergeleek de Antwerpse dichteres Anna Bijns de hervormer Maarten Luther met de Gelderse condottiere Maarten van Rossum, die kort tevoren het Brabantse land had gebrandschat en geplunderd. Van Rossum deugde niet volgens Bijns, omdat hij lichamen afranselde, maar Luther was erger, omdat hij de zielen jammerlijk te gronde richtte. In een ander dichtwerk lichtte ze toe hoe het protestantse kwaad zich verspreidde. Jongemannen lazen in afzondering en zonder toezicht geschriften van Luther, waardoor zij werden opgestookt om bij hoerige juffers geloofsgenoten te verwekken.

Opvallend in deze verzen is niet zozeer Bijns afkeer van de ‘de vermaledijde Lutherse secte’, waaraan zij in menig refrein lucht gaf, als wel haar argwaan tegenover het privélezen. Want het is een misverstand te denken dat na de uitvinding van de boekdrukkunst het stillezen van een boekje in een hoekje de normale praktijk was. Aan vorstenhoven en in de steden werd ook na de introductie van de boekdrukkunst veelvuldig voorgelezen, zeker waar het verhalen in de volkstaal betrof.

De ontwikkeling van het stillezen is een van de thema’s die Herman Pleij aansnijdt in de bundel artikelen die hij publiceerde bij zijn afscheid als hoogleraar historische Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Alle bijdragen gaan over literatuur en drukpers in de periode tussen 1477, toen de eerste Nederlandstalige literaire teksten werden gedrukt, en het midden van de 16de eeuw.

Door die concentratie op een eenduidige problematiek is de bundel aangenamer lectuur dan Het gevleugelde woord, Pleij’s vorig jaar verschenen Geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1400 en 1650, waarin de samenhang nogal eens is zoekgeraakt door de vele verhaallijnen en een niet te stelpen woordenvloed.

Twee van de acht opstellen in deze bundel zijn niet eerder gepubliceerd: een causerie over Pleij’s leermeester, de filoloog en specialist in wiegendrukken W.G. Hellinga, en zijn afscheidscollege over Anna Bijns. Zij is in de visie van Pleij het ‘vrouwtje’ naar wie de titel verwijst. De drukker die zij bezoekt is Jan van Doesborch, uitgever van Dat profijt der vrouwen. Dat boek opent met een twistgesprek tussen Van Doesborch en een ‘vroukijn’, dat zich beklaagt over de vrouwvijandige teksten van de drukker – klaarblijkelijk een echo van de Querelle des femmes, die rond 1400 was ingezet door de aanval van Christine de Pizan op Jean de Meungs Roman de la rose. Of Bijns echt het bezoekende vrouwtje was, zoals Pleij wil, valt natuurlijk niet met zekerheid te zeggen. Wel wordt in zijn afscheidscollege opnieuw bevestigd dat Bijns geenszins de verstokte kwezel was waarvoor zij lange tijd is gehouden, maar een zelfstandige vrouw, die door haar contacten met rederijkers, uitgevers en drukkers actief deelnam aan het openbare leven.

Terecht merkt Pleij op dat de ingrijpende betekenis van de drukpers in de Nederlanden onderbelicht is gebleven. Meeslepend is zijn relaas over de eerste typografen, entrepreneurs die risicovol opereerden op een onbekende markt. En niet anders dan de huidige ICT-dienstverleners laveerden deze avonturiers tussen faillissement en booming business. Sommige slimme drukkers beseften dat teksten voor stillezen een aangepaste presentatie en inrichting behoefden. Daarom werd de privélezer in een proloog gemaand de tekst dikwijls door te nemen. En verder kreeg de individuele lezer handreikingen in de vorm van een inhoudsopgave, illustraties en interpunctie.

Tegen het midden van de 16de eeuw had de boekdrukkunst zich een vaste plaats in de samenleving verworven. Naast classics als Karel ende Elegast en de Historien van Troyen durfden de uitgevers het aan om eigentijdse literatuur te drukken. Daarmee schiepen zij de voorwaarden voor het moderne literaire leven, met inbegrip van de beroepsschrijver én de individuele lezer.