Adders vangen

Voormalig hoofdaanklaagster van het Joegoslavië-tribunaal Carla del Ponte maakt de balans op van haar jacht op oorlogsmisdadigers als Ratko Mladic en Radovan Karadzic. Keer op keer stuitte ze op een ‘muur van rubber’.

Carla del Ponte Foto Bas Czerwinski/AP Yugoslav war crimes prosecutor Carla Del Ponte during a final press conference at the International Criminal Tribunal for the Former Yugoslavia in The Hague, Netherlands, Thursday, Dec. 13, 2007. Del Ponte appealed to the Security Council to keep the court open until its chief fugitives former Bosnian Serb leader Radovan Karadzic and his military chief Gen. Ratko Mladic are arrested and put on trial. Del Ponte, a Swiss lawyer who is leaving the court after eight years as chief prosecutor will become her country's ambassador in Argentina. (AP Photo/ Bas Czerwinski) Associated Press

Carla del Ponte (Met medewerking van Chuck Sudetic): La Caccia. Lo e i Criminali di Guerra. Feltrinelli, 412 blz. € 20,–. De vertaling verschijnt half september bij De Bezige Bij

De arrestatie van Radovan Karadzic, de architect van de ‘etnische zuivering’ in Bosnië, is een belangrijk succes voor de Europese Unie, maar ook voor het Joegoslavië-tribunaal. Twee van de drie hoofdverantwoordelijken voor de genocide van Srebrenica zijn nu gepakt. Milosevic is in zijn cel overleden en Karadzic zal binnen afzienbare tijd in Den Haag terecht staan. Alleen generaal Ratko Mladic, die persoonlijk leiding gaf aan de massamoord, is nog op vrije voeten.

Eén van de mensen die sinds de aanhouding van Karadzic met iets meer tevredenheid op hun werk kunnen terugkijken, is Carla del Ponte, die van 1999 tot 2007 de hoofdaanklager van het Joegoslavië-tribunaal was. Daarnaast bekleedde ze dezelfde positie in het Rwanda-tribunaal dat in Arusha (Tanzania) zetelde. De verbittering over het onvermogen – of de onwil – om Karadzic en Mladic te arresteren, is een belangrijk thema in haar memoires, die dit voorjaar in Italië gepubliceerd zijn en in september in Nederlandse vertaling zullen verschijnen.

In La Caccia (De Jacht) vertelt Del Ponte hoe het haar verging bij haar langdurige jacht op de Joegoslavische en Rwandese massamoordenaars. Zoals de ondertitel – ‘Ik en de Oorlogsmisdadigers’ – aangeeft, is het háár verhaal, en niet een neutraal historisch overzicht. Het is recente geschiedenis gezien door de ogen van Del Ponte en haar medewerkers, de mensen die er voor moesten zorgen dat de belangrijkste oorlogsmisdadigers in Rwanda en Joegoslavië opgepakt en voor hun rechters gebracht werden.

Del Ponte komt in het boek naar voren als iemand die hartstochtelijk gelooft in de missie van het recht in een misdadige wereld. Haar credo is de noodzaak van een effectief internationaal strafrecht. Het is volgens haar de enige manier om een einde te maken aan de cultuur van de straffeloosheid. Zolang de beulen en hun hooggeplaatste opdrachtgevers denken dat ze overal mee weg kunnen komen, zullen ze doorgaan met martelen, verkrachten en moorden.

Carla del Ponte (1947) groeide op in het Valle Maggia, een hooggelegen dal in het Zwitserse kanton Ticino, waar haar familie al generaties lang grond bezat. Als schoolmeisje hield zij zich bezig met het vangen van adders. Een laboratorium in Locarno betaalde vijftig frank per adder, voor een scholier een interessante bijverdienste, maar niet zonder gevaar, omdat de adders levend moesten worden afgeleverd. De adderjacht is vanzelfsprekend een goede metafoor voor de latere loopbaan van Del Ponte. Na enkele jaren in de advocatuur wordt ze in 1980 rechter van instructie in Lugano. In een van vele financiële witwaszaken werkt ze samen met een Italiaanse collega die een maffiaonderzoek leidt. Dit is niemand minder dan Giovanni Falcone, die in 1992 door de Siciliaanse maffia vermoord zou worden.

Die gebeurtenis maakt een diepe indruk op Del Ponte en sterkt haar in de overtuiging dat je nooit met misdadigers moet pacteren. Maar in deze tijd ontdekt ze ook dat politici en bankiers daar vaak anders over denken. Haar pogingen om Zwitserse banken te dwingen de identiteit van hun maffiose klanten prijs te geven, hebben niet altijd succes. De bankiers verklaren op hoffelijke toon dat ze justitie natuurlijk willen helpen, maar doen vervolgens niets. Del Ponte noemt deze tactiek, die ze later in haar jacht op de Servische en Rwandese oorlogsmisdadigers nog vaak zal tegenkomen, de ‘muur van rubber’. Keer op keer beloven de Servische autoriteiten haar bijvoorbeeld dat Mladic nu toch echt gearresteerd zal worden, maar het gebeurt nooit. De man die de genocide van Srebrenica persoonlijk leidde, is nog steeds op vrije voeten.

Dit is een buitengewoon frustrerende gang van zaken. Del Ponte is bijna opgelucht als er een keer iemand openlijk zegt waar het op staat; zoals de Joegoslavische minister van Justitie Petar Jojic die in mei 2000 op haar keurige verzoek tot medewerking reageert met een brief geadresseerd ‘aan de Hoer Del Ponte’. Dat is de taal die je van geboefte kunt verwachten. Ook in andere opzichten werken haar ervaringen met de maffia door in haar Haagse tijd. De terminologie waarin ze spreekt over de leiders van de Bosnische Serviërs en de politici en generaals in Belgrado is dezelfde die in Italië gebruikelijk is wanneer men het over de maffia heeft.

Een enkele keer kruisen de lijnen uit haar Italiaanse tijd en haar Haagse werk elkaar direct, zoals wanneer ze in 2001 Athanaso Seromba, een Rwandese katholieke geestelijke die naar Italië is gevlucht, wil laten aanhouden. Het Vaticaan werkt tegen en Rome werkt niet mee. Als Del Ponte Berlusconi daarover aanspreekt, zegt deze zijn medewerking toe. Maar in een privégesprek na afloop verwijt hij haar dat ze tien jaar eerder met de Milanese anticorruptierechters, zoals Antonio di Pietro, heeft samengewerkt. “Dat zijn communisten”, sist Berlusconi haar toe, “dat moet ophouden...” Maar enkele maanden later wordt Seromba wel gearresteerd.

Het boek bevat veel van dit soort anekdotes. Een nogal komisch geval is het onderhoud van Del Ponte met Zoran Djindjic, de toenmalige eerste minister van de Joegoslavische federatie, op Schiphol op 20 maart 2001. De Nederlandse politie heeft helaas verzuimd een conferentieruimte te reserveren. Del Ponte stelt voor de beveiligers weg te sturen, aangezien ze toch al voorbij de metaaldetectors zijn. Ze bespreken vervolgens zeer geheime zaken in het Duits. Wandelend tussen het publiek van de duty free-winkels vertelt Djindjic haar dat de arrestatie van Milosevic ophanden is, terwijl Kostunica, op dat moment president van de federatie, erbuiten wordt gehouden. Tien dagen later wordt Milosevic inderdaad gearresteerd. Del Ponte had in de voorafgaande weken haar uiterste best gedaan om te voorkomen dat de Amerikanen kredieten zouden toezeggen aan Belgrado zonder dat Milosevic opgepakt en uitgeleverd was. Het beslissende gesprek met de Amerikaanse minister van Buitenlandse zaken Colin Powell vond plaats in Brussel en duurde precies drie minuten. Powell begrijpt haar en houdt woord. Del Ponte’s interventie leidt echter tot een aanvaring met Kofi Annan, die haar verwijt zich met zaken te bemoeien die buiten haar competentie vallen. Zij repliceert dat de Serviërs niets doen zolang ze denken dat ze hun kredieten ook wel krijgen zonder de arrestatie van Milosevic. Daarop komt geen overtuigend antwoord van Annan.

Del Ponte is verweten dat zij teveel tegelijk wilde en te bruusk optrad tegen politici en diplomaten. Haar aanvaring met Annan laat zien waar de critici op doelen. Haar toon is vaak hard en direct, niet wat men in diplomatieke kringen gewend is. Ze geeft dat zelf toe. Maar de appeasement talk van de diplomaten heeft in de langdurige confrontatie met de Serviërs – en trouwens ook met de Kroaten en de Bosniërs – meestal niets opgeleverd. Daar staat Del Ponte heel sterk.

Haar neiging om alle zaken tegelijk aan te pakken (niet alleen Mladic, maar liefst ook nog tien andere generaals) heeft daarentegen waarschijnlijk wél contraproductief uitgepakt. Daar hebben de critici een punt. Het minst overtuigend is ze over Rwanda. In beginsel heeft ze gelijk dat het hof niet alleen Hutu’s maar ook Tutsi’s moest aanklagen, om te voorkomen dat er een ‘gerechtigheid van de overwinnaars’ ontstond. Maar ze maakt niet de indruk veel te begrijpen van de problemen van de wederopbouw van een door burgeroorlog totaal vernietigde samenleving. Voor de realiteit van de burgeroorlog, waarin geen absoluut gelijk bestaat, is in haar juridische discours geen plaats.

Maar in de confrontatie met de Serviërs, bij wie elke redelijkheid zoek was, is een alternatief voor de harde opstelling van Del Ponte veel minder voor de hand liggend. Zij heeft zeker fouten gemaakt, maar die vallen in het niet bij de aarzelende en vaak ronduit laffe houding van de Europese staten, met Nederland in Srebrenica als treurig dieptepunt. Helemaal niets doen als realpolitik is moreel niet verdedigbaar, en effectief is het uiteindelijk evenmin. Het is gewoon niets.

De recente arrestatie van Karadzic had waarschijnlijk niet plaatsgevonden zonder de hardere houding van de Europese Unie in de onderhandelingen over de toekomstige toetreding van Servië. Nederland en België waren daarin het meest principieel. De Nederlandse houding is verklaarbaar uit het schuldgevoel over Srebrenica, en kan uitgelegd worden als een verkapte erkenning van de Nederlandse verantwoordelijkheid voor de genocide.

Zelf heeft Del Ponte gemengde gevoelens over de resultaten van acht jaar werk. Er zijn heel wat oorlogsmisdadigers opgepakt en veroordeeld. Dat is winst. Maar niet alles is goed gegaan. Milosevic ging dood, zodat het belangrijkste proces eindigde zonder vonnis en zonder definitieve conclusies. Alle pogingen om ook de door Tutsi’s gepleegde misdaden in Rwanda voor het hof te brengen, zijn mislukt. En de twee direct verantwoordelijken voor de genocide van Sbrebrenica, Mladic en Karadzic, liepen nog altijd vrij rond toen zij haar boek afrondde. Karadzic is nu gepakt, en we mogen hopen dat Mladic binnenkort hetzelfde lot zal ondergaan.

In een breder historisch perspectief kunnen we het verslag van Del Ponte zien als een etappe in de ontwikkeling van de mensenrechten. Toen de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 1948 de Universal Declaration of Human Rights aannam, was dat een morele spiegel die de mensheid zichzelf voorhield. De Declaration had geen rechtskracht. Later kwamen er conventies en verdragen die rechtskracht kregen in de staten die ze ratificeerden. Maar de bevoegdheid een persoon aan te klagen bleef berusten bij nationale instanties. Het Joegoslavië-tribunaal, het Rwanda-tribunaal, en vervolgens het Internationale Strafhof, doorbraken het nationale aanklachtmonopolie, maar arrestatie en uitlevering zijn nog steeds voorbehouden aan de nationale staten. De contouren van een nieuwe global justice tekenen zich af, maar het verzet is taai, vooral van de kant van machtige staten die hun eigen soevereiniteit boven alles stellen, zoals de Verenigde Staten en China. Dat is het spanningsveld waarin Del Ponte moest opereren.

Zij mocht de adders aanwijzen, maar een echte jachtvergunning kreeg ze niet.