Ze wil ’t heft in handen hebben

Eddi de Bie (60) zag dat Froukje Jansen extreem gedreven was en wilde presteren. Terwijl je van mislukken juist kan leren. Blijven reizen, blijven zoeken, blijven dansen.

Froukje kwam binnenzeilen bij zijn dansklasje, werkte hard, werd aangenomen op de Theaterschool en klaagde vervolgens jaar in jaar uit over gebrek aan coaching. Zo ging het. Maar hij ging haar niet coachen. Dan bleef ze in dat prestatiestandje staan. Wat had hij moeten doen? Froukje, je been moet hoger. Froukje, dat moet soepeler, Froukje, nu wordt het beter, ja goed zo. Daar gaat het toch niet over? Het gaat over wie ze is in dans. Wat ze daarin te zeggen heeft.

Zojuist vond hij – ja, echt heel toevallig – de tekst die hij voor Froukjes afstuderen had geschreven. Een getypt velletje, met veel punten en uitroeptekens. Het lag al zés jaar naast hem op de verwarming. En nu pakte hij het stapeltje op. Grappig hè? Die eigenschap ziet hij ook in Froukje. Die heeft het vermogen om in het hier en nu te drijven. Als je zo leeft, dan draagt het leven jou door toevalligheden voor je te organiseren.

„Toeval”, had hij op dat velletje gezet. „Had je maar geen boekjes over de theaterschool moeten aanvragen. Die dingen worden waar.” En: „Die man op dat strand, die zomaar zegt ....jij.....jij bent onvoorwaardelijk.”

Zo in dat hier-en-nu kwam ze niet binnen, hoor. Froukje kwam binnen met een enorm prestatiegericht lijf. En je zal en je moet. Hard en helder. Maar dat werkt niet als je iets tegen een publiek moet zeggen. Wie ben je, en wat doe je hier. Dát zeg je tegen je publiek. Die spiegel houd je ze voor. Dat fysieke harnas van haar miste uitdrukkingsvermogen. Ze moest ophouden met presteren, dat ging alleen maar over: ik ben de beste. Dan mag je enkel maar lukken, niet mislukken. En dan valt er niks leren. Ze leerde dat maar heel traag af. Froukje is extreem gedreven. Alleen weet ze niet waarvoor.

Vanochtend heeft hij even naar haar reisprogramma’s gekeken. Wat ze nu doet bij die groene afdeling van LLink, ach. Hij is er niet zo van onder de indruk. Reizen, dát is haar kwaliteit. Dan gaat ze met zwervers praten, met homo’s in Iran, met rijke mensen in India, nomadenfamilies. Ze kan zo onbevooroordeeld en nieuwsgierig rondwaren over de planeet.

Ze blijft op reis, dat hebben ze met elkaar gemeen. Froukje kan, mág niet ophouden met zoeken. Dan komt ze nooit bij zichzelf uit. Je zegt tegen een rivier toch ook niet: God, kan dat ding niet een keer stil blijven staan? Dat is zo vermoeiend, dat blijft maar stromen. Dat is de aard van de rivier. Dansers die ophouden met zoeken moeten onmiddellijk ophouden met dansen. Weg. Weg ermee. Stilstaand water, daar komt legionella in.

Ja, dat is hondsvermoeiend. En nee, het is niet narcistisch. Hoe moet je andere mensen op deze planeet erkennen als je jezelf niet erkent? Mediteren in een grot gaat je daar niet bij helpen. Alleen door verbindingen aan te gaan, contact te hebben, krijg je de onduidelijke dingen duidelijk in jezelf.

Hij heeft al 25 jaar geen vriend, niet in die zin van het woord. De pijn daarover is verdwenen, merkt hij. Vervangen door een netwerk van bijzondere mensen. Daar blijven lijntjes naar lopen, los van tijd en ruimte. Dat zijn toevallig altijd van die zoekende mensen, zoals Froukje. Oude zielen, denkt hij. Die hebben hun levenswijsheid nooit op kunnen doen in hun jonge leven.

Ja, hij praat wel vaag, maar dat is het niet. Zijn collega’s zeggen soms: wat sta jij nou raar les te geven? Het is toch geen filosofieles. Maar dansen is meer dan: til je arm eens op.

Hij vindt het goed dat Froukje nu bij de tv zit. Kan ze mooi haar maakdrift en haar controledrang in kwijt.

Ze wil altijd het heft in handen hebben. Misschien was dat de reden dat ze op een gegeven moment enigszins uit begon te dijen. Dat de andere kant ging trekken: het kan me geen fuck meer schelen, ik vreet me een slag in de rondte.

Je mag wel dik zijn in jazz, vindt hij. Maar het werkveld is ijzerhard. Die klap komt toch wel, dus wat je moet doen is ’m zo vroeg mogelijk uitdelen. Het gaat natuurlijk over de manier waarop iemand zoiets zegt. Niet: wat ben jíj moddervet geworden. Dat ziet iemand zelf ook wel, hoor.

Hier op de school hadden ze een meid, niet te geloven.Een kanón op het toneel. Ze had drie jaar lang last van zichzelf. En toen ging de knop om. Ze ging niet afvallen. Ze zei: jullie kunnen allemaal de pestpokke krijgen, je doet het er maar mee. Met als gevolg dat ze overal wordt aangenomen.

Maria Koning van de Nel Roos-academie, de voorloper van de Theaterschool, had in een dronken bui verteld waarom zij hém had aangenomen op zijn 22ste. „Ja”, had ze met dikke tong gezegd, „ik dacht: wat een rare slungel, met holle rug en o-benen en veel te lange armen. Die kan niet dansen, ik heb het gezien. Maar toen kon je wel dansen en ik dacht: dit is net een kip waarvan je denkt dat die niet kan vliegen en die dan toch wegvliegt.”

Nu is hij zestig. Hij kan niet meer moeiteloos een minuut op zijn tenen blijven staan. Na tien seconden moet hij iets anders verzinnen.

Maar als hij straks zeventig is, gaat hij niks anders doen. Dan danst hij gewoon verder, op een andere manier. Net als Froukje, die danst eigenlijk nog steeds.