WTO moet zich opnieuw uitvinden

Grote voedselimporten hebben in ontwikkelings- landen de eigen productie in gevaar gebracht. Daarom moet markttoegang flexibel zijn, meent Myriam Vander Stichele.

De mislukking van de WTO- top is geen verrassing. De VS en Europa verankeren vooral hun eigen belangen in de WTO-akkoorden en schuiven belangen van ontwikkelingslanden opzij. Wanneer die nu het been stijf houden om de ontwikkelingsagenda van Doha uit te werken, ontstaan ‘onoverbrugbare tegenstellingen’. India eiste een beschermingsmechanisme omdat de rijke landen nog steeds niet bereid waren hun exportsubsidies en dumping volledig af te bouwen. Maar in India en in veel andere ontwikkelingslanden vormen kleine boeren een grote en kwetsbare groep die weinig profiteren van de economische ontwikkeling in hun land en die tot grote sociale onrust zouden zorgen bij te grote buitenlandse concurrentie.

Het conflict draait om verschil van mening over vrijhandel. Ontwikkelingslanden stellen vast dat het afbouwen van hun importbarrières en landbouwondersteuning, onder druk van de Wereldbank en de huidige WTO-akkoorden, niet de beloofde voordelen heeft gebracht. Bovendien verbieden de bestaande WTO-regels hen om die (beschermende) maatregelen te nemen waarmee geïndustrialiseerde landen zelf wel hun economie hebben opgebouwd. Aziatische landen zoals Japan en Korea konden hun industrie doen groeien achter tolmuren en met steun en sturing van de overheid. Westerse landen hebben lang geen internationale beperkingen gehad om hun dienstensector te ontwikkelen (wat nu wel gebeurt in het GATS-akkoord van de WTO).

De voedselcrisis toont aan dat te grote voedselimport de eigen voedselproductie tenietdoet en afhankelijkheid creëert van instabiele en soms torenhoge wereldmarktprijzen. Ontwikkelingslanden zien de niet-flexibele eisen van de rijke landen voor meer markttoegang als een ondermijning van de ontwikkelingen van hun eigen industriële, landbouw- en dienstensectoren, met werkloosheid en armoede als gevolg.

De oorzaken van de tegenstellingen moeten we ook zoeken bij dieperliggende problemen van het huidige handelsprobleem: de onafgewerkte internationale handelsarchitectuur en de ondeugdelijke besluitvorming over handel.

Foute internationale handelsarchitectuur

Het vrijhandelsmodel van de WTO leidt nu tot een concurrentieslag tussen ongelijke landen die alleen hun eigen belang verdedigen en die voor hun economische groei en de winstgevendheid van hun bedrijven afhankelijker zijn geworden van markttoegang in andere landen.

Bij de opbouw van het internationale handelssysteem na WO II had men de problemen van internationale concurrentie voorzien. Maar de overeengekomen internationale oplossingen (Havana Charter, 1948) zijn door verzet van de VS nooit volledig uitgevoerd. Daardoor zit het internationale handelssysteem met een aantal problemen opgezadeld.

Ten eerste creëert de WTO een vrije markt op wereldniveau zonder internationale mededingingsregels tegen internationale oligopolies of oneerlijke handelspraktijken. Dit leidt op de wereldmarkt tot grote concentratie in de handen van een beperkt aantal bedrijven, bijvoorbeeld bij landbouwproducten (de wereldgraanhandel is voor meer dan 80 procentin handen van de Amerikaanse Cargill, ADM en Bunge). Daardoor hebben producenten, werknemers en kleine boeren onderaan de keten te weinig onderhandelingsmacht.

Ten tweede kunnen arbeidsvoorwaarden die in de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie zijn overeengekomen nauwelijks internationaal worden afgedwongen. Daardoor is het moeilijk om een neerwaartse spiraal van arbeidsnormen en lonen tegen te gaan in die sectoren met grote internationale concurrentie en marktconcentratie.

Ten derde hadden internationale grondstoffenakkoorden vroeger tot doel goede inkomsten te garanderen voor ontwikkelingslanden die grotendeels afhankelijk waren van de export van een paar grondstoffen. Toen de geïndustrialiseerde landen de onvolmaakte grondstofakkoorden lieten vervangen door de internationale vrije marktmechanismen, hebben ontwikkelingslanden decennialang te kampen gehad met heel lage grondstoffenprijzen en te weinig middelen om op andere exportproductie over te stappen.

Slechte besluitvorming

Deze scheefgegroeide internationale handelsarchitectuur wordt versterkt door een slechte besluitvormingsstructuur in de WTO en in de WTO-lidstaten zelf.

Consensus in de WTO wordt nog steeds afgedwongen door uitsluiting, zoals op de voorbije top, in plaats van door een goede structuur die voor elk land een goede vertegenwoordiging garandeert. Bovendien oefenen de rijke landen, inclusief de EU, druk uit op ontwikkelingslanden op een manier die op nationaal niveau onaanvaardbaar zou zijn, bijvoorbeeld dreigen met het opschorten van hulp.

Binnen elk van de WTO-lidstaten en in de EU wordt nauwelijks democratisch beslist welk onderhandelingsstandpunt in de WTO wordt ingenomen. Onderzoek van SOMO en anderen heeft aangetoond hoe de standpunten van de EU voornamelijk worden bepaald door grote bedrijven die de middelen hebben om actief te lobbyen. Omdat die bedrijfslobby ook sterk is in andere landen, zoals de VS, wordt het handelsbelang van landen vereenzelvigd met het belang van grote bedrijven waarbij sociale, maatschappelijke, milieu- en andere economische belangen worden verwaarloosd.

Wat moet er nu gebeuren? Verder onderhandelen binnen de WTO, of kiezen voor de reeds gestarte bilaterale handelsverdragen, zou een verkeerd antwoord zijn. De mislukte onderhandelingspoging en de zichtbaar veranderde machtsverhoudingen maken een andere aanpak mogelijk. De regels van de WTO die door een sanctiesysteem afdwingbaar zijn en nationaal én internationaal beleid onderwerpen aan vrijhandel alsmede aan de bedrijfsbelangen van rijke landen, moeten worden vervangen door flexibele regels voor duurzame productie, handel en consumptie. Een nieuwe internationale handelsarchitectuur moet regels bevatten over mensen- en arbeidsrechten, eerlijke voedsel- en grondstofprijzen, mededinging en milieu. Zij moeten internationaal afdwingbaar en beter uitvoerbaar worden door samenwerking in bestaande VN-organisaties. Dat wordt dan het kader voor duurzaamheid en armoedebestrijding waarbinnen een wereldhandelsorganisatie eigen afspraken kan maken en handelsmisbruiken te lijf gaat. In ieder land zal politieke moed nodig zijn om op een democratische manier bij te dragen aan een ander handelssysteem.

Myriam Vander Stichele is senior researcher bij SOMO (Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen).