Onderbuik rommelt in de zomervakantie

Zu Tode betrübt, zo gaat de Nederlandse consument de nazomer in. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) berichtte dinsdag dat het vertrouwen van consumenten in de economie zeer snel is gedaald. De waarde is nu min 31. Dat is nog lang niet zo laag als in 2003, toen het vorige dieptepunt werd bereikt. Maar toch geeft het vertrouwen aan dat er zware tijden aankomen.

Maar hoe betrouwbaar is deze indicator eigenlijk? De economische groei bedroeg in het eerste kwartaal 3,3 procent, de werkloosheid staat op 4 procent en de inflatie is 2,6 procent – een van de laagste inflatiecijfers van de EU. Dus waar hebben we het over?

Op de economische cijfers valt wel wat af te dingen. De groei is hoog omdat de vergelijking met vorig jaar door statistische oorzaken heel gunstig uitvalt. Op kwartaalbasis was de economische groei in het eerste kwartaal maar 0,4 procent, en dat wijst op een snel vertragend tempo. Aan zo’n statistische hik lijdt ook de inflatie: die is in de vergelijking van jaar op jaar kunstmatig laag, en zal snel hoger worden. De werkloosheid is inderdaad laag, maar traag: hij reageert relatief laat op een verslechtering van de economie, omdat werkgevers lang aan hun personeel vasthouden, ook als het al slechter gaat.

De consument zou dus best gelijk kunnen hebben met zijn pessimisme. Die let niet op statistiek, maar reageert op zijn onderbuikgevoel. In heel Europa daalt het vertrouwen, zo meldde de Europese Commissie gisteren. Maar waarom gaat het in Nederland dan zo snel?

Het CBS signaleerde dinsdag de op één na grootste daling van het vertrouwen in één maand ooit, en sprak van het ‘instorten’ van het cijfer. Dan moet er wel wat aan de hand zijn, want het Bureau is doorgaans een zeer gematigd instituut. De grootste daling ooit vond trouwens vorig jaar september plaats, zodat het vertrouwen in een jaar tijd ongekend snel is afgekalfd.

Nu kan het zo zijn dat er kennelijk een razendsnelle daling van de conjunctuur plaatsvindt, die door de burger al wordt gesignaleerd maar nog niet uit de statistieken blijkt. Maar misschien wordt de consument wel onstuimiger in zijn reacties.

Wie naar het verloop van de politieke peilingen kijkt, moet constateren dat de stemmingswisselingen in Nederland ook op andere vlakken sneller en heviger worden. In 2003 werd een diepterecord bereikt voor het vertrouwen, terwijl de recessie van destijds achteraf best mee bleek te vallen. Het herstel dat daarop volgde, werd maar mondjesmaat begeleid door een vertrouwenspiek. Misschien moet de consument ook leren wat beter himmelhoch zu jauchzen.

Maarten Schinkel