Indiaan obstakel kapitalistische droom

Braziliaanse indianen in het Amazonegebied raken steeds meer bedreigd. Ze worden, soms met geweld, voor de houtkap verdreven uit hun reservaten. Laatste deel van een korte serie.

Op de Avenida Mato Grosso ligt het museum van de Indiaan er verlaten bij. Op de deur hangt een briefje, dat verwijst naar een andere ingang die gesloten is. In een winkel maakt een verkoopster een veelzeggend ‘grapje’: „Bent u al naar een indianenreservaat geweest? Kijk maar uit, voordat je het weet, komen ze met een machete achter je aan.”

In het stadje van het museum, Juína in het noorden van de deelstaat Mato Grosso, worden indianen nauwelijks getolereerd. Juína is een plaats van pioniers, gelukzoekers die dankzij de houthandel en veehouderij een beter leven hebben gevonden.

Veel van de inwoners hebben het niet zo op met de oorspronkelijke bewoners van dit Amazonegebied. Ze worden gezien, zo blijkt uit reacties van mensen die liever anoniem willen blijven, als nietsnutten die met kleine groepjes de beschikkingen hebben over grote stukken regenwoud.

In deze regio, rond de Juruena-rivier, liggen tal van indianenreservaten, eentje zelfs op zo’n 65 kilometer van de stad. Maar op straat, in het centrum van de stad, laten de indianen zich niet zien. „Ach”, zegt de indiaan Fernando Dywuru van de Rikbaktsa stam, „de mensen hier zien indianen vooral als obstakels voor de verwezenlijking van een kapitalistische droom.”

Dywuru zucht veelvuldig als hij praat. De vijftiger is opperhoofd van het dorpje Curva in het nabijgelegen reservaat. Het leven lijkt hem niet mee te vallen. De geschiedenis van zijn volk blijkt daar ook reden toe te geven. „De indianen in deze regio zijn steeds verder weg gedreven, dieper de jungle in, door de blanken. Eerst brachten ze dodelijke ziektes mee, vochten met ons, en nu pakken ze steeds meer regenwoud van ons af.”

In module 5, een buitenwijk van het stadje, ligt het kantoor van FUNAI, de overheidsorganisatie die belangen van de indianen behartigt. Op het terrein staan enkele auto’s van de organisatie. Het is er een komen en gaan van indianen.

Adegildo José do Nascimento, plaatsvervangend chef van FUNAI, is net terug van een bezoekje met enkele indianen aan een apotheek, om medicijnen te regelen. Indianen, zo bevestigt hij, zijn niet erg geliefd in Juína. Hij zegt: „Dit zou je een zakenstad kunnen noemen. Alles draait om geld. En indianen worden hier gediscrimineerd. Het bedrijfsleven [de houthandel en veehouderij, red] vindt dat de indianen te veel grond ter beschikking hebben.”

In de regio zijn zo’n vijftien reservaten. Daar leven onder andere indianen van de Cinta Larga, Kayabi, Enawenê en Rikbaktsa stammen, volgen FUNAI ongeveer 4.500 mensen in totaal. Hoe groot de gebieden bij elkaar zijn, weet José do Nascimento niet precies. Veel reservaten liggen ver weg van de stad, meestal alleen bereikbaar met de boot. „De indianen hebben vaak last van illegale houtkappers en veeboeren die hun land binnenvallen. Dat leidt regelmatig tot confrontaties.”

Toen eind jaren zeventig, begin jaren tachtig de eerste Braziliaanse kolonisten van de Amazone arriveerden, leidde dat regelmatig tot gevechten met indianen. Volgens José do Nascimento hebben de `blanken’ in die tijd ook expres suiker besmet met het mazelen virus uitgedeeld aan de inheems bevolking. De mazelenepidemie die volgde, zou tal van indianen hebben gedood.

De Rikbaktsa hebben volgens het Braziliaanse Instituto Socioambiental (een organisatie die zich bezighoudt met het milieu en sociale vraagstukken) met drie reservaten grofweg een gebied van 400.000 hectaren om te leven. Hun eerste kennismaking met blanken had al plaats in de jaren veertig, toen de eerste rubbertappers zich meldden in hun gebied. Eind jaren vijftig, begin jaren zestig zijn deze indianen ‘gepacificeerd’. Dat was het gevolg van de komst van katholieke missionarissen, die door rubbertappers in die regio waren gevraagd de indianen te bekeren en te onderwijzen.

„We hebben daardoor onze taal verloren”, zegt Fernando Dywuru met spijt in zijn stem. „Alleen de ouderen spreken de oorspronkelijke taal nog. Destijds is onze stam ook voor het eerst serieus geraakt door tal van epidemieën meegebracht door de blanken, waardoor zo’n 75 procent van de Rikbaktsa is omgekomen.”

Volgens José do Nascimento van FUNAI maken de indianen in de regio zich grote zorgen over plannen van de overheid om er waterkrachtcentrales te bouwen. Deze voornemens zijn onderdeel van het regeringsbeleid dat de economische groei van Brazilië moet versnellen via grote infrastructurele projecten. Hij zegt: „De indianen leven van jagen, van de rivier, van de vis. Als er straks gebouwd gaat worden, kan dat leiden tot vervuiling. Dat hebben ze hier al eerder meegemaakt.”

Deze maand hadden de leiders van de verschillende stammen zich verzameld bij FUNAI om over de problemen te praten. „Alle opperhoofden waren aanwezig. We staan allemaal onder druk”, zegt Paulinho Skiripi, president en woordvoerder van de Rikbaktsa Vereniging (Asirik). „Vijftig jaar geleden vochten de indianen nog onderling, nu worden we belaagd door veeboeren, houtkappers en mijnbedrijven en straks worden we ook nog eens bedreigd door de komst van waterkrachtcentrales.”

Eerdere artikelen over ontbossing op nrc.nl/amazone