‘Hier moet alles gisteren al klaar zijn’

Titus van der Werf zit al twaalf jaar in Dubai. Hij doet de inrichting van luxe hotels en appartementen. Hij is kritisch over de jongste lichting expats. En hij verlangt naar Nederland.

Op de twaalfbaansweg wijst Titus van der Werf achter het stuur van zijn Land Rover naar links naar een plek waar geen wolkenkrabbers maar bomen staan. „Daarachter ligt mijn huis, een oude, door ons opgeknapte Arabische villa”, zegt hij. „Toen wij twaalf jaar geleden hier kwamen wonen, lag hier de tweebaansweg naar Abu Dhabi en daarachter de woestijn.” Aan de rechterkant van de Sheikh Zayed-snelweg verrijst uit het zand als een reusachtige pilaar de Burj Dubai, die al het hoogste gebouw ter wereld is hoewel die het hoogste punt nog niet eens heeft bereikt.

Van der Werf heeft uitzicht op eigen werk. In de Burj Dubai doet hij de inrichting van zowel het eerste Armanihotel ter wereld als van de appartementen die voor topprijzen worden verkocht. Hij is managing director voor Dubai van het Amerikaanse The Parker Company, naar eigen zeggen een van de grootste onafhankelijke leveranciers voor hotels ter wereld. Van der Werf doet behalve het Armanihotel ook het interieur van vrijwel alle hotels en gebouwen van naam in Dubai. Zoals voor het luxe Atlantishotel. Of voor de indoor skibaan in The Mall of the Emirates. Of voor de Burj al Arab, het eerste zevensterrenhotel ter wereld. „Als een hotel af is en je houdt het op zijn kop en schudt het een paar keer, dan is alles wat eruit valt door ons verzorgd”, zegt Van der Werf.

Na een loopbaan van dertig jaar in Latijns-Amerika en de VS kwam hij naar Dubai op uitnodiging van sjeik Mohammed bin Rashid Al Maktoum, die had bedacht dat Dubai een toplocatie voor toerisme moest worden. Van der Werf kreeg een contract van vier jaar, maar besloot al na twee jaar definitief naar Dubai te verhuizen, toen hij de enorme ambities van de sjeik begreep. Met het opdrogen van de oliebronnen in Dubai had deze besloten de steven te wenden om van zijn staat een nieuw knooppunt te maken tussen Oost en West.

Sjeik Mohammed, sinds de dood van zijn zieke vader eind 2004 niet alleen feitelijk maar ook officieel de leider van de Verenigde Arabische Emiraten en emir van Dubai, bemoeit zich persoonlijk met zijn prestigeprojecten. Van der Werf: „Twee maanden voordat de Burj al Arab werd geopend, kwam hij kijken. De beeldbepalende pilaren in de hal waren wit. ‘Dat is niet goed genoeg’, zei hij, ‘het moet bladgoud worden.’ Dat moesten we nog even voor de opening regelen. Nu is het een van de elementen waar mensen bij binnenkomst verbluft van staan.”

Alles in het hotel is op bestelling gemaakt. „Van het couvert tot de tafels, van de kroonluchters tot de tapijten, van de bedden tot de badkamers. Niets is in een catalogus te vinden. Het is de smaak van sjeik Mohammed, hij wil zich in het hotel thuis voelen als in zijn eigen paleis. Het is imposant dat die man ook daar tijd vrij voor maakt”, zegt Van der Werf. „Toen we ermee bezig waren, hadden wij er ook geen idee van dat dit hotel zó het icoon van Dubai zou worden.”

Bij de vestiging van The Parker Company in Dubai werken inmiddels 42 mensen, vertelt Van der Werf, „en dat is veel voor een bedrijf als het onze”. Zijn bedrijf kan nog verder groeien. „Normaal is een portefeuille aan opdrachten voor twee jaar, wij kunnen voor vijf jaar vooruit. De enige beperkingen zijn het gebrek aan kantoorruimte en de moeilijkheid om aan goed personeel te komen.”

Inmiddels werkt hij vanuit Dubai ook in golfstaten als Qatar en Abu Dhabi en verder in Saoedi-Arabië, die in navolging van Dubai het ene luxehotel na het andere bouwen. Zo komen in Abu Dhabi op een nieuw opgespoten eiland, waar ook een nieuw Formule 1-circuit komt, 27 nieuwe hotels. Zes ervan moeten volgend jaar worden opgeleverd, de bouw moet nog beginnen. „Wij zeggen dan ook: ‘Heren, weet u wel wat u van ons vraagt.’ Maar we doen het wel.”

Een paar dagen per maand zit Titus van der Werf in Milaan om te overleggen met Giorgio Armani. „Om de ideeën van zo’n man in overeenstemming te brengen met de eisen van de hotelindustrie is heel bijzonder. Ook hier moeten we weer alles apart laten maken.” The Parker Company opereert in het spanningsveld tussen de architecten die het mooiste van het mooiste willen en de projectontwikkelaars die alles snel willen neerzetten, zegt Van der Werf. „Die designers krijgen hier de ruimte om bijzondere dingen te doen die ze elders niet krijgen.”

Met het Atlantishotel werkt hij nu aan zijn grootste project, waar voor 1.600 kamers de inrichting moet worden geregeld. In dit oord, waar het niet de bedoeling is dat gasten het terrein verlaten, wordt ook een groot zeethemapark gebouwd met een dolfinarium. „Met dit project zijn we bijna 30 maanden bezig. Voor Dubai is bijna drie jaar lang. Alles hier moet gisteren klaar zijn. Alle deadlines die wij onze leveranciers geven zijn te kort.”

De komende jaren gaat Van der Werf de inrichting voor drie- en viersterrenhotels verzorgen. Hotels die er nu nog nauwelijks zijn maar die Dubai graag wil hebben om niet alleen hele rijke toeristen te trekken. „Dit vind ik net zo uitdagend als een vijfsterrenhotel. Deze hotels moeten niet te duur en niet te luxe zijn. Maar de lokale managers willen er toch weer iets bijzonders van maken. ”

Hij is op weg naar zijn wekelijkse donderdaglunch met twee andere Nederlanders die al ruim tien jaar in Dubai zijn. Een voormalige verkoopmanager van Friesland Foods, die nu stroopwafels importeert. En de voormalige financieel directeur van de Majid al Futtaimgroep, het bedrijf van de enorme winkelcentra waar voormalig Ahold-topman Anders Moberg nu werkt. De Nederlanders hebben door jarenlange ervaring goede relaties opgebouwd met de Arabische families. „Wij kijken wel eens hoofdschuddend naar de jonge mensen die nu binnenkomen en denken dat ze snel alles kunnen regelen. Je kunt hier alleen maar succesvol zakendoen als je de lokale gewoontes kent. Als je hun vertrouwen hebt, dan krijg je ook alle steun van de lokale zakenwereld. Ik kan die nu op elk moment van de dag bereiken. Maar ik had het voordeel dat ik de 40 was gepasseerd toen ik hier kwam. Senioriteit speelt een rol hier.”

Van der Werf was tot voor kort voorzitter van de Nederlandse businessclub in Dubai. Hij is kritisch over de expats. „De stressfactor neemt toe en daardoor lijken mensen meer langs elkaar heen te leven. Bij de lokale mensen ontstaat het gevoel dat er niet meer voldoende respect is.”

Nog drie jaar en dan gaat hij na 40 jaar afwezigheid weer in Nederland wonen. In een kerkje in een Fries dorpje dat hij nu al als tweede huis heeft. „Hier blijven, o nee. Wat heb ik hier dan nog om voor te blijven? Ik mis te veel de klassieke concerten, de wandelingen door het bos, het schaatsen en het zeilen.”

Om geen belasting te hoeven betalen zou het gunstig zijn om de helft van de tijd in Dubai en de andere helft van het jaar in Nederland te verblijven, zoals veel Britse pensionado’s doen. Maar ook dat is geen optie voor hem. „En dan zeker elke keer in mijn agenda moeten tellen hoeveel dagen ik al in Dubai geweest ben. Daar heb ik geen trek in.”

Dit is het vierde en laatste deel van een serie over de ambities van de Golfstaten. Voor de vorige delen zie nrc.nl/golfstaten