Het was voor mij de overburgerlijke spookplek

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag: verdwaald tussen de tuinhuisjes. In 1988.

Ooit ben ik er een keer verdwaald. Het was winter en Marina en ik waren op weg naar het zuiden.

Marina zei: „Kom, we gaan binnendoor.”

Tuinpark Ons Buiten stond er op het statige hek.

Ik had nog nooit zo’n groot tuindorp gezien. Vierhonderdvijftig huisjes en nauwelijks bewoners. Er was alleen een ruige vent met een kruiwagen die naar ons staarde.

We liepen snel verder.

Julianalaan, Emmalaan, Hillegondalaan. Steeds nieuwe keurig aangeharkte paadjes. Daar stond opeens die vent weer, we vluchtten een zijpad in. Onze rugzakken werden met iedere stap zwaarder en de stilte begon drukkend te worden. Soms zag ik een schim achter een keurig kanten gordijntje, maar nergens een uitgang. Het tuindorp had ons te pakken.

„Ik wil eruit”, piepte ik en keek Marina aan. Ze grinnikte. „Kijk dat dan.” We stonden voor een miniatuurbeeldentuin. De aarde lag in perfecte strepen, alsof nog geen seconde eerder een onzichtbare tuinman aan het harken was geweest. „Zo ziet burgelijkheid eruit.”

Achter ons klonk het gekraak van rubberen band op steentjes, daar was die vent weer. Hij wilde iets gaan zeggen, maar we holden weg. Het pad liep dood. We moesten terug. De vent was blijven staan. Marina grinnikte niet meer.

„Daar! Het hek!”

In een wolk van opstuivende grindsteentjes renden we het complex af.

„Waarschijnlijk wou die man alleen maar zeggen dat er in de winter maar één uitgang is”, grinnikt Henk – zestig plus, jenever-tonic, blote bast, vrolijk gekleurd overhemd – bij het horen van mijn spookverhaal. Het is zomer nu, het grasveld staat vol jeu de boules spelers en op het terras voor het buurthuis zitten vriendelijke vakantievierders te roken.

Wie bij tuinhuisjes denkt aan een plek waar de drukke stadsbewoner een gestolen zaterdagmiddag in de aarde wroet, ziet het niet goed voor zich. Ons Buiten oogt en voelt bij deze hernieuwde kennismaking als een supercamping. Er is een eigen ‘praathuisje’ voor de jongeren, er zijn bingo’s en bridgetoernooien in de zelf gebouwde feestzaal, er zijn thema-avonden en familiedagen. Henk: „Dan zijn alle tuinen verlicht met waxinelichtjes en maken we een tocht door het park.”

Ons Buiten is een openbaar park, dus iedereen mag binnenlopen om in het vakantiegevoel te delen. Maar de draagkracht komt voort uit de hechte groep huisjesbezitters, die jaarlijks minstens dertig uur van hun tijd – en soms heel veel meer – besteden aan onderhoud en evenementen. Het verloop is wel wat groter geworden de laatste tijd, de oorspronkelijke hechtheid begint te verdwijnen. Het voordeel daarvan is dat je je op een fraaie zaterdagochtend als deze zou kunnen inschrijven en nog diezelfde dag een huisje bezit. „Maar het zijn geen beleggingsobjecten”, waarschuwt Henk, „je krijgt in geld nooit terug wat je erin stopt”.

Iets anders krijg je wel; saamhorigheid. Verliefd kijk ik naar de foto’s van een zomerse spellendag, waarvoor Henk met zijn bouwcommissie een deel van de Amsterdamse binnenstad uit hout figuurzaagde. „We zijn in april begonnen met zagen.”

De overburgerlijke spookplek uit mijn verleden voelt als een paradijsje, moet ik tot mijn lichte verbijstering toegeven. Het is een geheime plek waar mensen zonder winstbejag een fijne zomer creëren. Waar met de regelmaat van de klok grote maaltijden worden klaargemaakt die aan lange tafels met veel drank worden genuttigd. Henk: „Want dat is toch wat vakantie uiteindelijk is; vreten en zuipen.”

Ik hoor mezelf naar zomerverblijfmogelijkheden informeren en Henk wijst me er nadrukkelijk op dat ik dus niet alleen de lusten maar ook de lasten zal moeten dragen. „Er komen steeds meer yuppenstellen die zichzelf alleen maar in een hangmat zien hangen. Maar er is ook een tuin die moet worden onderhouden. Al hoeft dat ook weer niet zó moeilijk te zijn. In mijn tuin staan zoveel planten dat je het onkruid niet meer ziet en dus ook niet hoeft weg te halen.”

Ik knik. Zo’n tuin zou ik ook nemen, een tuin die zichzelf onderhoudt. Vriendinnen geven me voor de grap wel eens een plant om te zien hoe lang hij het volhoudt.

Ik sleep mijn vriend Edwin mee op een verkennende wandeling. „Gut, wat leuk”, zeg ik meteen bij het eerste laantje en wijs op een perk vol bloemen. „Die zou ik willen”, zeg ik even later, als we voor een huisje staan dat aan het water grenst. „Lekker beschut, maar misschien veel muggen.”

„Er is zelfs een bibliotheek!”, roep ik enthousiast. „Geweldig! Boeken!”

Edwin kijkt een tikje bezorgd.

Ik wil voor we vertrekken heel graag nog even terug naar het buurthuis en bestel daar zonder aarzelen twee jenever-tonic, voor Henk én voor mezelf. Edwin wil cola.

We gaan op het terras zitten, een klein eindje van de vaste bewoners af, erbij horen moet je verdienen.

„En dan zou ik hier in de zomer gaan zitten met mijn laptop. Trek ik af en toe een plant uit de grond en schrijf ik prachtige boeken”, babbel ik vrolijk.

Edwin staart naar zijn cola.

„En dan mag jij ook komen hoor, hangen we jou in een hangmat, kunnen ze lekker over ons roddelen.”

Edwin neemt een slok en kijkt over het groene grasveld.

„Volgende week is er Fancy Fair, dat is na de deadline van dit stuk, maar daar kunnen we evengoed samen naartoe?”, bedel ik.

Edwin zet zijn glas neer. „Ik dacht dat jij na lang zoeken alleen in cafés bleek te kunnen schrijven?”

„Op stille plekken word ik gek, maar hier misschien niet…”, werp ik tegen.

„En jij wordt toch misselijk als je langer dan drie dagen tussen het groen zit?”

„Jawel, maar deze keer…”

„En hoeveel dagen hield die vorige plant het ook alweer uit?”

Er klinkt een lachsalvo uit het buurthuis, een vrouw komt nog naschaterend naar buiten lopen. Als ik hier zou wonen zou ik haar kennen. Zou ik nu zeggen „Nou Carla, ga je lekker?” Of zoiets.

Ik kijk naar een grote vent die aan de terrasstamtafel zit en waarvan ik dankzij Henk weet dat hij iedere winter Sinterklaas speelt. Misschien was hij het toen wel, met die kruiwagen.

Ik begin een beetje verdrietig te worden.

Ten slotte kijk ik naar Henk, hij heeft me verteld dat hij hier sinds zijn zesde komt. Dat zijn hele familie hier is opgegroeid en ook huisjes heeft. Ik begrijp heus wel dat dat de beste manier is. Ik had in zijn familie geboren moeten worden, dan had ik hier thuisgehoord. Je moet hier net als de planten naar binnen groeien.

Ik zucht en sta op.

Edwin kijkt me onderzoekend aan. „En? Ontnuchterd?”

Voor straf leeg ik in een teug mijn jenever-tonic.

Ik knik.

Ik hou niet eens van tonic.